aap betekenis & definitie

aap - m. (apen), 1. vierhandig zoogdier dat in uiterlijk en in sommige handelingen veel op de mens lijkt en daarom (als karikatuur) voor lelijk en ook boosaardig geldt en dat gaarne nabootst (naaapt).

In biologische zin verstaat men onder apen een onderorde, Anthropoidea, van de orde der Primaten; in vele zegsw.: een gezicht als een —, zeer lelijk; een aangeklede -, een bespottelijk lelijk mens, (ook) iemand die opzichtig aangekleed is; van een jongen!, deugniet! kwajongen!; een — van een vent; daar kwam (keek) de — uit de mouw, toen bleek zijn eigenlijke bedoeling; — wat heb je mooie jongen spe len, (tegen zijn zin, meestal door de omstandigheden genoodzaakt) iemand vleien om hem gunstig te stemmen, niet tegenspreken om verdere onaangenaamheden te voorkomen; al draagt een een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding, fraaie kleren alleen maken de man niet; dat ware de — gevlooid, gezegd van een onbegonnen werk; wat ga je doen? ik ga de — vlooien en jij kunt de zak op houden, gemeenz. tot een al te nieuwsgierige gezegd; (gemeenz.) zich een — schrikken, geweldig schrikken; evenzo: zich een — lachen; in de — gelogeerd zijn, (tegen verwachting) in moeilijkheden, er slecht aan toe zijn; 2. (buitgemaakte of opgespaarde) som gelds, schat: hij heeft de — beet, binnen, thuis, weg; m.n. van een erfenis; de — aanspreken, zijn spaarpenningen gebruiken; 3. tekenaap of »pantograaf; 4. — op een stok, een trekhei waarbij het blok langs één leider gaat.