Reserveer nu mijn nieuwste boek

Adaptationisme betekenis & definitie

Stroming in de evolutiebiologie die een (overdreven) nadruk legt op aanpassingen onder invloed van natuurlijke selectie, als het overheersende principe voor evolutionaire verandering

Adaptationisme past op zich in de darwinistische opvatting van evolutie, maar werd in 1979 door Richard Lewontin en Stephen J. Gould onder vuur genomen in een polemisch artikel, misschien wel de meest bediscussieerde publicatie uit de evolutiebiologie.

De auteurs refereren aan dr. Pangloss, een figuur uit het verhaal “Candide, ou l’optimisme” van de Franse satiricus Voltaire. Dr. Pangloss heeft overal een optimistisch antwoord op, hoe ongerijmd ook. Lewontin en Gould vergelijken het “paradigma van Pangloss” met de “just-so stories” van de adaptationisten die alle kenmerken en gedragingen van organismen zien als een aanpassing en geen oog hebben voor andere processen.

Gould en Lewontin wijzen erop dat veel kenmerken van een organisme een bijproduct zijn van iets anders. Ze vergelijken die kenmerken met de zwikken van de San Marco-kathedraal in Venetië. Zwikken (Engels: “spandrels”) zijn de driehoekige ruimtes tussen de rand van de koepel en de bogen waarop de koepel rust. Deze ruimtes dienen geen bouwkundig doel; ze zijn simpelweg een gevolg van de manier waarop de kathedraal is gebouwd. Vaak zijn de zwikken, opgevuld met cement, voorzien van prachtige fresco’s; maar natuurlijk is het niet hun functie om drager te zijn van mooie afbeeldingen.

Ook andere evolutiebiologen zetten zich af tegen het “adaptationisme”, bijvoorbeeld Michael Lynch, Eugene Koonin en Masatoshi Nei. Deze auteurs benadrukken dat de overdreven aandacht voor aanpassingen geen rekening houdt met neutrale evolutie en andere niet-adaptieve evolutionaire processen. Het adaptationisme heeft echter ook sterke verdedigers, o.a. de Engelse evolutiebioloog Richard Dawkins en de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett.