DANCKELMAN (Sylvester Jacobus), geb. te Lingen in 1640, overl. te Berlijn 5 Aug. 1695. Deze, een der zeven gebroeders Danckelman, die in den opkomenden Brandenburg-Pruisischen staat in de laatste helft der zeventiende en de eerste helft der achttiende eeuw een rol van beteekenis speelden, en zich in hooge gunst hunner vorsten mochten verheugen, hoewel die gunst ook hier wankel bleek te zijn, dient hier genoemd, ofschoon hij slechts enkele jaren zijns levens binnen onze grenzen doorbracht.
Zijn vader Sylvester Danckelman, uit aanzienlijk geslacht uit Rheine stammend, vestigde zich te Lingen, waar hij als raad en rechter werkzaam was. Zijne oudste drie zonen, Johan,Thomas Ernst en onzen Sylvester Jacobus, zond hij ter studie naar Groningen, waar zij 1 Febr. 1654 werden ingeschreven. De lessen der juristen Junius en Gerhardus Coccejus werden hier gevolgd. Te Utrecht, waar zij daarna in Febr. 1655 werden ingeschreven, voegde zich de vierde broeder Everhard bij hen. Deze, de latere almachtige minister van den keurvorst Frederik III, doch na diepen val in 1722 overl., verdedigde te Utrecht als 12-jarige knaap een verhandeling de Contractu emphylactico. Korten tijd later (11 Juni 1655) ontmoeten wij Joh., Sylv.
Jacob en Everhard in het leidsche album, 22 Juli van dat jaar ook Th. Ernst. Op 24 Nov. 1657 plaatsten Thomas Ernst en Sylvester Jacobus hun naam in het album van Heidelberg als legum stud. Hierna volgde een studiereis door Italië, Frankrijk en Duitschland. Huiswaarts gekeerd zag Sylvester zich in 1662 tot professor Institutionum aan het Gymn. Illustre Arnoldinum te Burgsteinfurt benoemd.
Zijne drie jongste broeders, Daniel Ludolph,Willem Hendrik en Nicol. Barthol. Michaël, behoorden hier tot zijn leerlingen. Evenzoo verschillende Nederlanders, waaronder H.aDompselaer,die een disputatie de Testamentis en R. a Dompselaer, die een verhandeling de Testamentis privilegiatis onder hem verdedigde. In 1666 werd hij als professor Pandectarum te Heidelberg beroepen, waar hij van 19 Dec. 1668 tot 20 Dec. 1669 als rector magnificus het academisch bestuur voerde. Van hier werd hij 1 Sept. 1670 als hoogleeraar naar Franeker beroepen.
Na lange aarzeling nam hij dit beroep aan en hield 2 Nov. 1671 zijn intreerede. Slechts korten tijd bleef hij werkzaam, daar Gedep. Staten hem reeds 9 Juli 1673 op verzoek van prinses Albertina Agnes verlof gaven, ten einde als leermeester van den jeugdigen stadhouder te kunnen optreden. Wel heeft hij daarna nog eenigen tijd te Franeker les gegeven en ontmoeten wij hem nog in 1675 als promotor, maar reeds 16 Juni 1675 nam hij afscheid van de hoogeschool om zijne benoeming tot raadsheer te Spiers te volgen. Deze plaats
bekleedde hij tot de verwoesting van Spiers in 1689. Het volgend jaar vertegenwoordigde hij met zijn broeder Nicolaas den brandenburgschen keurvorst bij de kroning van Jozef I tot keizer te Augsburg. De keurvorst riep hem daarna naar Berlijn, benoemde hem tot geheimraad en president van het Kammergericht aldaar. Door hem zitting ook in tal van andere colleges te geven bond hij hem aan zijne regeering en benutte de groote gaven, die tijdgenooten in hem roemen. Danckelman overleed ongehuwd te Berlijn. De keizer verhief in 1690 de zeven gebroeders in den adelstand. Hun roem bedichtte een tijdgenoot in 1694 aldus:
‘Drei sind geheime Rath' und drei sind Praesidenten,
Des Allerjüngsten Amt ist Kanzler sein und Rath.
Das ganze Griechenland hatt' ehmals sieben Weisen,
In seinen Söhnen hat sie Danckelmann allein.’
Zie over zijn leven een uitvoerigen brief van den bekenden Charles Ancillon, Le portrait ébauché de S. Exc Mr. S.J. de Dankelman (Amst. 1695); Vriem oet, Athen. Fris. 516-523, Add . 10-11; Boeles, Friesl. Hoogesch. II, 253-256; G . Heuermann, Gesch. des reform. grafl.
Bentheimschen Gymn. Illustr. Arnold. (1878) 119-121 (met verdere literatuuropgaven); Toepke, Matrikel der Univ. Heidelberg II, 329,357; VI, 707. Over Th omas Ernst, die den stadhouder Willem III op diens tocht naar Ierland vergezelde, P. de Toulieu, Oratio funebris in obitum Th.E.L.B. de Danckelmann (Ling. 1709) en Journalen C.Huygens (Werken Hist. Gen, 3e serie, 22), reg. 83-84.
Verschillende leden der familie Danckelman vinden wij in de 17e en 18e eeuw als student te Leiden; op 14 Juli 1708 promoveert er onder Perizonius Fredericus L.B. de Danckelman, op eene Dissertatio historico-politica de rebus atque incrementis Prussorum (Lugd. Bat. 1708). De gebroeders Wilhelmus Henricus enPhilippus Sylvester werden in 1695 te Utrecht ingeschreven, en onderscheidden zich als jongeling door het houden van latijnsche oraties, de eerste 22 Mei 1695 eene Oratio gratulatoria in felicissimum adventum seren. ac potent. Principis Guilielmi III, Magnae Britanniae, Franciae, et Hiberniae Regis (gedrukt achter Justa Parentalia quae Magnae Brit. Reginae Mariae celeb. in Belgio viri Fr. Spanhemius, J.
G. Graevius, J. Perizonius, P. Francius Orationibussolemniter recitatis persolverint, Lipsiae 1695), de tweede op den Grooten Keurvorst.
van Kuyk