Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

willen

betekenis & definitie

willen - regelmatig werkwoord
uitspraak: wil-len

1. het bewust proberen te doen, het verlangen of wensen
♢ hij wil weer naar school gaan
1. dat wil ik niet hebben
[ik vind het niet goed]
2. hoe wil hij dat doen?
[hoe denkt hij dat te gaan doen]
3. ik wil er niet aan
[ik weiger het te aanvaarden]
4. iets kwijt willen
[iets willen vertellen]
5. ken niet ligt op 't kerkhof, wil niet ligt ernaast (TB)
[als je iets wilt, is alles mogelijk]
2. werkwoord dat een mogelijkheid aangeeft
♢ het wil wel eens gebeuren dat de auto niet start

Algemene uitdrukkingen:
1. dat wil zeggen ...
[dat betekent]
2. het verhaal wil dat ....
[volgens het verhaal]
Regelmatig werkwoord: wil-len
ik wil
jij/u wilt
hij/zij wil
wij/zij/jullie willen
ik/jij/u/hij/zij wilde of wou
wij/zij/jullie wilden
hij heeft gewild
de/het/een gewilde ....