Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 30-11-2017

2017-11-30

pad

betekenis & definitie

pad - zelfstandig naamwoord

1. groot soort kikker, met korte achterpoten en een bobbelige huid
we zagen een pad bij de sloot
1. zo dik als een pad
[heel dik]

1. smalle weg, meestal voor voetgangers of fietsers
♢ we liepen over een leuk pad naar het dorp
1. op pad gaan
[eropuit gaan]
2. zijn eigen paadje schoonvegen
[zorgen dat hem niets te verwijten valt]
3. buiten de gebaande paden treden
[iets nieuws proberen]
4. het pad voor iemand effenen
[moeilijkheden uit de weg ruimen]
2. de weg die je volgt in je leven
♢ mijn pad is niet over rozen gegaan
1. platgetreden paden bewandelen
[methoden die allang uitgeprobeerd zijn]
2. zijn pad gaat niet over rozen
[hij heeft het erg moeilijk]
3. van het rechte pad afdwalen
[in de criminaliteit verzeild raken]
4. het begane pad volgen
[geen nieuwe methodes gebruiken]
5. iemand op het rechte pad brengen
[hem corrigeren als hij verkeerde keuzes heeft gemaakt]
6. tussen waarheid en leugen ligt een glibberig pad
[je vertelt al gauw iets wat niet helemaal waar is]

Zelfstandig naamwoord: pad
de pad
de padden
het padje