Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

zagen

betekenis & definitie

zagen - regelmatig werkwoord
uitspraak: za-gen

1. in stukken verdelen door met een zaag heen en weer te gaan
♢ hij zaagt een stuk van de plank

Regelmatig werkwoord: za-gen
ik zaag
jij/u zaagt
hij/zij zaagt
wij/zij/jullie zagen
ik/jij/u/hij/zij zaagde
wij/zij/jullie zaagden
hij heeft gezaagd
de/het/een gezaagde ....
zagend, zagende