Nederlands Logopedisch Lexicon

L.J.M. Bogaert (2007)

Gepubliceerd op 27-08-2021

Geluid

betekenis & definitie

(o.), trillingen die via lucht- of beengeleiding ons gehoororgaan stimuleren;

~demping; de verzwakking die geluidstrillingen ondergaan bij voortplanting in één of ander medium;

~dicht, geen geluid doorlatend;

geluidsabsorptie, een eigenschap van materialen om de energie van geluid te verminderen en (meestal) in warmte om te zetten;

geluidsbarrière,

1. het feit dat een geluidsbron zijn eigen geluid inhaalt (hierbij treden aërodynamische krachten op die een knal veroorzaken);
2. aangebrachte wal of muur om lawaai te bestrijden;

geluidsbron, voorwerp dat geluidsenergie uitstraalt; zie ook puntbron, lijnbron en vlakke bron;

geluidsdruk, drukverschillen die geluidstrillingen boven de atmosferische druk teweeg brengen door hun verplaatsing;

geluidsdrukniveau, niveau dat het verschil in druk aangeeft tussen een normaal en afwijkend oor;

geluidsisolatie,

1. de mate waarin geluid wordt verhinderd een andere ruimte binnen te dringen;
2. materiaal dat gebruikt wordt om een ruimte geluiddicht te maken of te isoleren;

geluidsreflectie, weerkaatsing van geluidstrillingen tegen een wand of voorwerp;

geluidssensatie, oorsuizen en andere abnormale gehoorsensaties;

geluidsspectrum, gehele reeks van trillingsgetallen van al dan niet waarneembare geluiden;

geluidssterkte, geluidsdruk die het gevolg is van de maximale uitwijking van de trilling (amplitude);

geluidstransmissieweg, de weg die het geluid aflegt vanaf de geluidsbron tot aan de waarneming in de hersenen;

geluidswaameming, auditieve of tactiele waarneming van trillende luchtdeeltjes.

< >