Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

mouw

betekenis & definitie

v. -en, mouwtje; armbekleedsel als deel v. e. kledingstuk: zegsw. iemand iets op de mouw spelden, iets wijs maken; het (of: ze) achter de mouw hebben, (inz. Z.-N. en dan: in) niet oprecht zijn, schijnheilig; iets uit de mouw schudden, zonder enige inspanning, vlug en onvoorbereid bewijzen van kennis of geestigheid geven; de handen uit de mouwen steken, flink aan ’t werk gaan, aanpakken; ik weet er geen mouw aan te passen, het niet in orde te krijgen; zie aap; Z.-N. de mouw vegen, vleien.