Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

Gepubliceerd op 11-11-2021

goedkoop

betekenis & definitie

I. bn.; goedkoper (of inz. Z.-N.: beterkoop), goedkoopst (1 niet duur, laag in prijs; 2 fig. van weinig waarde; 3 van personen, die niet duur zijn; van plaatsen, winkels, waar de prijzen niet hoog zijn):

1. in die winkel is alles goedkoop; duurkoop; in Den Haag is dit goedkoper dan hier, in Parijs het goedkoopst;
2. een goedkope liefhebberij; ir. een goedkope aardigheid, iets zonder geest, iets flauws; op een goedkope wijze, gemakkelijk;
3. die naaister is goedkoop; Den Haag is de goedkope Bazaar.

II. bw. (voor weinig geld, geringe prijs): goedkoop wijn inslaan; zegsw. er goedkoop afkomen, met geringe onkosten eig. en fig.

III. zn., m. of v.: voor de goedkoop, uit zuinigheid; op een goedkoopje.