Zacharias de Metz betekenis & definitie

Apostolisch vicaris der Hollandsche Zending. * Ca. 1600 te Brussel, ♱ 13 Juli 1661 te Amsterdam. Hij was sedert 1648 kapelaan aan de Spaansche legatie te Den Haag. Toen de verbanning van Jacobus de la Torre 1655 de benoeming van een coadjutor noodig maakte, benoemde paus Alexander VII 3 Febr. 1656 hem tot deze waardigheid, tevens tot bisschop van Tralle i.p.i.

Deze benoeming van een niet tot de Holl. Zending behoorenden Zuid-Nederlander ontstemde zoowel den apost. vicaris als de voomaamsten van den clerus, te meer, daar M. gedoodverfd werd als een regulierenvriend. Hij heeft dan ook veel tegenwerking ondervonden.

Toen hij zijn dood voelde naderen, dicteerde hij 1 Juli 1661 een brief aan paus Alexander VII, waarin hij een eervol getuigenis uitspreekt over zijn provicarissen Boudewijn Cats en Joannes van Neercassel, maar het Haarl. kapittel aanklaagt wegens bestuursaanmatiging en stoken van twist. Onder den clerus bevinden zich verder, zegt hij, vele onnutte en minder ingetogen priesters. Krachtig pleit hij voor versterking van het pauselijk gezag over de missie.

Ofschoon de aanklachten, gezien de stemming van den vicaris, niet vrij kunnen zijn van overdrijving en kort daarna door Neercassel gedocumenteerd bestreden zijn, wijst dit testament van den ijverigen missiebisschop op zwakke punten in de Holl. Zending, welke een perspectief openen naar den onder ➝ Codde optredenden chaos. Hoewel zijn figuur nog te nevelachtig gebleven is, schijnt deze prelaat in aanleg een regent met scherp inzicht.Lit.: Janssen, in Nw. Ned. Biogr. Wbk. (IV, 975, en bronnen aldaar).