Theodor Fontane betekenis & definitie

Theodor Fontane - Duitsch dichter en romanschrijver uit de realistische school; * 30 Dec. 1819 te Neu-Ruppin, ✝ 20 Sept. 1898 te Berlijn. Van Hugenootschen stam en als apotheker begonnen, kwam F. pas rond zijn dertigste jaar tot letterkundige productie: eerst als dichter, daarna als publicist, en na 1878 ook als romanschrijver, wat hem een laten, maar schitterenden roem bezorgde.

Uit zijn dichtbundels (Manner und Helden, 1860; Balladen, 1861) blijft vooral de ballade voortleven, zooals hij ze, beïnvloed door von Strachwitz en het Schotsche volkslied, beoefende: zerp en pittig, met niet slechts middeleeuwsche en folkloristische, maar ook moderne thema’s, in deels volkschen, deels nerveus-impressionistischen stijl (Die Brück’ am Tay, Gorm Grymme, Archibald Douglas e.a.). Zijn eigenlijke lyriek, reeds die van een rijper, beheerschter gemoed, doet in haar korten, gedrongen vorm wat koud en redelijk aan.Als journalist verbleef hij jarenlang in Engeland, fungeerde ook als oorlogscorrespondent, werd gevangen genomen in Frankrijk (Kriegsgefangen 1871), en ontdekte als gepassioneerd reiziger en wandelaar de ziel van het landschap in de Mark Brandenburg (Wanderungen durch die M. B., 1862 vlg.).

Zonder zijn innigen omgang met de aristocratische families uit deze streek ware F., die met hist. romans begonnen was, nooit de scherpe waarnemer van menschen geworden, die uit zijn beste romans blijkt, met hun klaren bouw, hun meesterlijken dialoog, hun milde stemming ook tegenover moreel zwakke menschen, hun gedrongen en toch sierlijk proza, hun eenvoudige en toch boeiende, diepe problematiek. De meesterstukken zijn: Irrungen, Wirrungen (1888), Unwiederbringlich (1891), Frau Jenny Treibel (1892), Effi Briest, Der Stechlin (1898). Bedenkelijk is de moreele ondergrond van F.’s romans: die van het ethisch relativisme, dat niets veroordeelt, alles, ook het ergste, enkel uit zijn oorzaken begrijpelijk wil maken.

Uitg.: Gesammelte Werke (Berlijn 1905 vlg.).

Lit.: J. Ettlinger. Th. F. (1904); G. Kricker, Th. F. (1912); K.

Wandrey, Th. F. (1919); H. Rhyn, Die Balladendichtung Th. F.’s (1914); H. Maync, Th. F. (1920); M.

Krammer, Th. F. (1922); H. Spiero, Th. F. (1928); M. Gilbert, Th. F. (1930). Baur