Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 02-02-2019

2019-02-02

Apotheker

betekenis & definitie

Apotheker - is de titel van degenen, die de bevoegdheid hebben de artsenijbereidkunst in vollen omvang uit te oefenen. De opleiding is universitair (eindexamen gymn. B of H.B.S. B) en duurt in Ned. zes jaar. Afgelegd moeten worden een candidaaisexamen en een doctoraal examen in de faculteit der wis- en natuurkunde, waardoor het recht op het afleggen van het practisch apothekersexamen en de promotie tot doctor in de wis- en natuurkunde verkregen wordt.

Het eerste examen omvat scheikunde, plant- en dierkunde, natuurkunde en mineralogie, het tweede als hoofdvak pharmacie en minstens twee bijvakken, te kiezen uit: scheikunde, toxicologie, biochemie, levensmiddelenleer, plantkunde, dierkunde, microbiologie, gezondheidsleer en pharmacologie. Het practisch apothekersexamen is gesplitst in een schei- en plantkundig en in een pharmaceutisch gedeelte. Voor toelating tot het tweede gedeelte wordt vereischt de verklaring van een binnen het Rijk bevoegd apotheker, dat de candidaat ten minste gedurende een jaar onder zijn leiding de uitoefening der artsenijbereidkunst heeft gevolgd; als hij het diploma van apothekers-assistent bezit is een half jaar voldoende. zie Pharmacie. Hillen.