Raadhuis betekenis & definitie

Gebouw, zetel van het stads(gemeente-) bestuur. Als gebouw ontwikkelt het r. zich eerst in de M.

E. met de opkomst der steden. Met den groei van de macht der stedelijke burgerij neemt het r. in omvang en aanzien toe, tot die machtige monumenten van burgertrots ontstaan als vooral de Zuidelijke Nederlanden te bewonderen geven.Het oudste type heeft twee verdiepingen: beneden een markthal, boven één zaal, welke als raad-, burger- en feestzaal wordt gebruikt. Het geheel was aanvankelijk versterkt (belfort). Een fraai voorbeeld levert Sluis in Zeeuwsch Vlaanderen (eind 14e e.).

In den Renaissance-tijd komt de differentiatie, dan ontstaat een afgescheiden secretarie, ook wordt de zetel van de stedelijke rechtspraak erheen overgebracht, waarvoor afzonderlijke ruimten, de schepenkamer en de vierschaar, worden ingericht, een ander locaal wordt gereserveerd voor de stadswacht, terwijl ten slotte voor de burgerfeesten een afzonderlijke ruimte in of nabij het r. wordt bestemd (Kampen). De marktruimte (gewoonlijk vleeschhal) blijft beganegronds gevestigd, totdat deze wordt overgebracht naar afzonderlijke waaggebouwen en markthallen. Dan blijft de burgerzaal als voornaamste ruimte over, zooals duidelijk wordt gedemonstreerd aan het Amsterdamsche r., dat weer inspireerend werkt op vele latere. In den modernen tijd is de omvang en de beteekenis van het administratieve gedeelte sterk toegenomen, zoodat daarvoor, vooral in de groote steden, omvangrijke bouwwerken moeten dienen, die in wezen niet verschillen van gewone kantoorgebouwen; de representatieve ruimten (raadzaal, kamers van Burgemeester en Wethouders, trouwzalen) worden dan tot een afzonderlijk complex vereenigd.

Bekende moderne r. zijn in Ned. die van Enschede, Hilversum, Zwijndrecht, Waalwijk en in het buitenland die van Kopenhagen en Stockholm.