Lamp betekenis & definitie

Men onderscheidt:

a) lampen voor vloeibare brandstof;
b) lampen voor gasvormige brandstof (➝Gasverlichting);
c) lampen voor electriciteit (➝Verlichting).

De l. in de voorhistorische tijden werden meestal uit steen gehouwen. Van belang is de groep Grieksche en Romeinsche lampjes: zij waren rond of ovaal, van gebakken aarde, brons of edelmetaal, en werden gedragen of aan kandelabers gehangen. De vele lampjes, die in de catacomben gevonden werden, zijn versierd met de gewone symbolen der Christelijke Oudheid (de goede Herder, de duif, de visch, het monogram van Christus, enz.). In latere tijden kwam de kaars veel in gebruik. Eerst tegen einde 18e eeuw ontwikkelde de l. zich verder door het gebruik van raapolie en later petroleum. In de plaats der volle ronde pit, uit uitgeplozen vlas of hennep gedraaid, stelde Leger, rond 1782, de vlakke pit, welke Argand op zijn beurt verving door de ronde, holle pit, die binnen in de vlam zuurstof aanvoert en zoo het licht aanmerkelijk verbeterde (1789). Ook vond Argand, samen met Quinquet, het glas in cylindervorm uit (rond 1783). Zoolang men de zware raapolie in de l. brandde, bleef de toevoer der olie naar den brander lastig: de oliehouder moest op ongeveer dezelfde hoogte blijven als de brander (bijv. in Astraallampen en Sine-umbralampen). Dit veranderde bij het gebruiken der meer vloeibare petroleum, welke uitstekend in de pit werd opgezogen: de petroleumlampen zijn dan ook eenvoudiger van constructie en sierlijker van vorm. Ook de branders ontwikkelden zich verder: de petroleumgloeilichtlamp en spiritus-gloeilichtlamp waren de laatste verbeteringen vóór het invoeren der ➝gasverlichting en later der electrische ➝verlichting.

Lit.: d’Allemagne, Hist. du luminaire (1891); Bösenberg, L. und Leuchtkörper aus früheren Zeiten (1926). V. Herck.