Fabel betekenis & definitie

Fabel, - verhaal, dat hoofdzakelijk dient om een verborgen leer, een stuk levenswijsheid, in te kleeden, en dat er op ingericht is die les te doen uitkomen.

In Griekenland is de fabel zeer oud en waarschijnlijk zijn hier heel wat motieven ontleend aan de Oostersche fabels. In de lit. verschijnen de eerste fabels bij Hesiodus (Opera et Dies, 202 vlg.) en Archilochus (Diehl, fr. 81 en 89). De immer talrijker, doch mondeling overgeleverde fabels werden, waarschijnlijk met het oog op de opvoeding der jeugd, verzameld zoogezegd door ➝ Aesopus, die in de 6e eeuw v. Chr. zou hebben geleefd. Van Demetrius van Phalerum is bekend, dat hij ook Aesopische fabels verzamelde. Later werden de oude fabels in versmaat bewerkt, o.m. door Babrius.

Bewaard is ook een prozaverzameling van de hand van den Byzantijn Syntipas en een metrische bewerking van Ignatius Diaconus (9e eeuw). Ten slotte stelde Planudes (ca. 1300) een keuze samen voor het schoolgebruik.

In de Romeinsche lit. werd de fabel ingevoerd door Ennius, Lucilius en Horatius, die er hun gedichten mede opsmukten. Bekend zijn bij Horatius de mooie fabel van de stads- en de veldmuis (Sat. II, 6, 79 vlg.), en de kortere van den wezel (Ep. 1, 7, 29 vlg.) en van het hert (Ep. 1,10, 34 vlg.). Phaedrus echter maakte de fabel tot een zelfstandig lit. genre. ➝ Avianus schreef 42 Aesopische fabels in elegische versmaat.

V. Pottelbergh. Latijnsche fabeldichting in de M.E. De antieke fabels van Aesopus en Avianus, die in de scholen gelezen werden, vonden vooral in de 11e en 12e eeuw nieuwe bewerking. Zoo gaf Gautherus (Walther) Anglicus in poëtischen vorm een 60 fabels uit een prozabewerking van Aesopus. Alexander Neckam dichtte een nieuwen Aesopus en Avianus. Een zekere Baldo (waarsch. Italiaan) gaf een nieuwen Aesopus, die via een Latijnsch prozawerk en onbekende tusschenschakels teruggaat op het ➝ Pantsjatantra. Het voornaamste werk op dit gebied is echter het dierenepos Ysengrimus van ➝ Nivard van Gent.

Lit.: Manitius, Gesch. der lat. Liter, des Mittelalters (III 1931, 763-777).

Franses. De oudste verzamelingen van f. in moderne talen heetten ➝ Esopet’s. Buiten het werk van Calfstaf en Noydekijn, werden er in het M n l. nog wel enkele f. gedicht, als door Willem van Ilildegaersberch, en andere, onbekende, sprookdichters. De rederijkers beoefenden de f. weinig; toch bezorgde Edward de Deene nog een bundel Warachtighe Fabulen der Dieren: vrije bewerking van twee Fr. fabelverzamelingen van Haudent en Corrozet; hoofdzaak echter waren hierbij de etsen van Marcus Gheeraerts. Vondel’s Warande heeft weinig meer beteekenis; groote fabeldichters bezit de Ned. literatuur niet. De Duitsche fabelliteratuur schijnt te beginnen met Herger, gevolgd door den Stricker; wat later door Boner en Steinhöwel. De Reformatie bediende zich gaarne van de f.: Luther, Alberus, Burkhardt Waldis.

De Aufklärung bouwt in navolging van Lafontaine de f. poëtisch op voor hare rationalistische wijsheid: Gellert, Hagedorn, Gleim, Lichtwer, Willamow, Pfeffel, tot Hey, die in 1833 deze fabelsoort afsluit. Lessing had intusschen de theorie van de fabel vernieuwd: als een zedenles in een voorbeeld, zonder poëtische opluistering. De Engelsche literatuur beoefende de f. weinig. Chaucer en Lydgate hebben een enkele dierenvertelling. Alleen in de 18e eeuw hebben Gay en Moore eenige beteekenis. In de Fransche literatuur, na de Esopet’s, de bovenvermelde verzamelingen en dan nog die van Gourrault, heeft Jean de Lafontaine zich als fabeldichter een wereldfaam verworven: zijn f. heeten terecht une ample comédie en cent actes divers.

Onder zijn navolgers munt nog uit Florian; in Spanje Yriarte, in Rusland Krylow, in Italië Pignotti. In de laatste eeuw is de f. weinig meer beoefend geworden. Ook de meeste primitieve volkeren kennen haar. Moeilijk uit te maken echter is gewoonlijk de vraag, hoe ver die f. primitief zijn. Vgl. ook ➝ Dierenfabel.

Lit.: Lessing, Vom Wesen der F. (1759); M. Staege, Gesch. der deutschen Fabeltheorie (Bern 1929). Zie nog ➝ Dierenfabel.

V. Mierlo.