Faber betekenis & definitie

Faber, - 1° Frederick William, Oratoriaan, Eng. bekeerling en schrijver; * 1814, ✝ 1863. Zijn grootvader was dominee in Yorkshire, zijn vader werd secretaris van den Anglicaanschen bisschop van Durham.

Hij studeerde te Harrow en te Oxford. Hier werd hij bevriend met Newman.

Ontving de Anglic. wijdingen in 1839, reisde herhaaldelijk in België, Duitschland en Frankrijk, en liet zich na lange aarzelingen opnemen in de Kath. Kerk in 1845.

Leefde in een eigen religieuze communiteit, tot hij in 1848 na zijn priesterwijding met zijn gezellen werd opgenomen in het Oratorium, dat door Newman was gesticht en bestuurd werd. Newman stelde hem in 1849 aan tot eersten superior van het Oratorium te Londen, dat in 1854 van King William Street naar Brompton werd overgebracht.

Hier bleef hij superior tot zijn dood. In zijn jeugd gevierd als dichter, maar zijn bewondering voor Wordsworth verdrong alle oorspronkelijkheid.

Toch worden sommige zijner liederen in Engeland nog veel gezongen, ook in Anglic. kerken. F. is geen dichter en geen philosoof, maar hij is de dichterlijke bewonderaar van de schoonheid der liturgie en der kerkelijke leer; hij is de vrome priester en fijne psycholoog en zijn geestelijke geschriften en meditatieboeken behooren nog altijd tot de beste, die in Engeland geschreven zijn.Voorn. werken: All for Jesus (1853; in alle talen, ook in het Ned., vertaald); Growth in Holiness (1854); The Blessed Sacrament (1855); The Creator and the Creature (1858); The Foot of the Cross (1858); Spiritual Conferences (1859); The Precious Blood (1860).

Lit.: J. E. Bowden, Life and Letters (1868, vele herdrukken); Al. Janssens, Anglic. Bekeerlingen (1928).

Pompen.

2° Jacobus, ook genoemd Stapulensis (Jacques Lefèvre d’Étaples), Humanist; behoort door zijn anti-Aristotelische geschriften tot de zgn. voorloopers van Descartes en van de nieuwere anti-Aristotelische wijsbegeerte. * Ca. 1455 te Étaples, ✝ 1536 te Mérac. Maakte het Humanisme in Frankrijk bekend. Tot 1517 docent aan de Sorbonne, 1523 vic.-gen. van Briçonnet, bisschop van Meaux. Fr. vertaling van den Bijbel (gedeelten 1523, 1525, 1528; geheel: Antwerpen 1530). Vsch. zijner werken en commentaren op den Index van Trente. In 1525 veroordeelde de Sorbonne 48 stellingen uit zijn Épitres et évangiles; vlucht naar Straatsburg, wordt echter weldra opvoeder van prins Karei te Blois; nieuwe moeilijkheden, vlucht naar Margaretha van Navarra te Mérac, waar 1534 Calvijn hem bezocht. Gaf ook enkele Vaders uit (Dion. Areopagita, J. Damascenus, Hilarius). Legt sterk den nadruk op de H. Schrift, maar is nooit Prot. geworden. Zijn houding doet eenigszins denken aan die van Erasmus.

Lit.: A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris (Parijs 1916); E. Amann, in Dict. Théol. cath. (IX 1926, 132-159); W. Moore, La Réforme allemande et la lit. franc. (Straatsburg 1930); C. Allemang, in Lex. f.

Theol. u. Kirche (III 1931, 930); P. Polman, L'élément hist. dans la controverse relig. du XVIe siècle (Gembloux 1932).

Polman.

3° Johan Nic., ➝ Böhl de Faber.

4° Petrus, ook Favre of Lefèvre genaamd, Zalige, Jezuïet; * 13 April 1506 te Villaret (Savoye), ✝ 1 Aug. 1546 te Rome. Studeerde te Parijs en was de eerste priester, die zich daar bij Ignatius aansloot; kwam in 1540, in het gevolg van den Sp. gezant Ortiz, in Duitschland; nam in 1543 te Mainz Petrus Canisius in de Sociëteit op en stichtte in 1544 te Keulen de eerste Jezuïeten-statie in Duitschland. Paulus III stelde hem aan tot pauselijk theoloog op het Concilie van Trente, maar hij stierf voordat hij die taak kon volbrengen. Zaligverklaard door Pius IX, 5 Sept. 1872.

Lit. : N. N., De. gelukz. P. F. (1873); Guitton, L'âme du bienheureux P. F. (Parijs 1934); Bouix, memorial du bienheureux P. Lef. (Parijs 1874); Sommervogel, Bibl. de la Comp. de Jésus (III, 1657); Koch, Jesuiten Lex. (Paderborn 1934,1413).

v. Hoeck.