(kra:kən) (kraakte, gekraakt)
I. (heeft)
1. een geluid laten horen, als een lichaam van enige grootte dat breekt: de trap, een meubel, een schoen kan -; -de vingers; harde sneeuw kraakt onder de voeten; zij vouwde -d de krant open; -de dennenaaiden; een -d vuur brandde ; een -de stem ; het vriest dat het kraakt, zeer hard. → kar, wagen.
2. krakend doen breken : noten, amandelen -. → noot.
3. ledigen : een fles -.
II. (is) krakend breken : schedels uit elkaar.