Bandeloos — breidelloos — onhandig — onbeteugeld — teugelloos — toomeloos betekenis & definitie

Deze woorden, die eigenlijk te kennen geven dat een wezen is zonder iets, dat zijne bewegingen regelt, zijn meer in figuur¬lijken dan in eigenlijken zin in gebruik. Breidel, toom en teugel drukken vrij wel hetzelfde uit, het eerste is verouderd en alleen nog in deftigen stijl in gebruik; zoo is ook breidelloos meer in hoogeren stijl, teugelloos en toomeloos in de taal van het dagelijksch leven in gebruik voor iets of iemand, die zonder eenig stuur of eenig bedwang voortgaat.

Onbeteugeld veronder¬stelt dat er wel bedwang aanwezig kon zijn, doch dat de teugel niet wordt aangelegd. Hetzelfde is het geval bij bandeloos en onhandig. Bij bandeloos is er geen band, bij onhandig (meer bepaald in het oosten van het land in gebruik) wordt er niet om den band gegeven. Terwijl de eerste woorden meer op het niet beperken der krachtsuiting zien, heeft men bij de beide laatste meer de niet beperking in zedelijken zin op het oog. Toomelooze eerzucht, eene teugellooze menigte. Het bandeloos gemeen, onhandige begeerten.