(eigenlijk De Hondt) (1521—1597) werd 8 Mei 1521 te Nijmegen geboren. Opgevoed te ’s Hertogenbosch en te Arnhem, werd hij later student te Keulen, waar hij in 1538 licentiaat en spoedig daarna magister artium werd.
Den 8sten Mei 1543 werd hij lid van de orde der Jezuieten. Tijdens zijn verblijf in Keulen hield hij theologische voorlezingen, en gaf zijne Latijnsche vertaling van de werken van Cyrillus van Alexandrië en de werken van Leo den Groote en van Tauler uit.
Hij wenschte in Keulen te blijven werken, maar de meester van de Jezuïetenorde riep hem naar Italië, vanwaar hij in 1548, op verzoek van hertog Wilhelm IV van Beyeren, vertrok naar Ingolstadt, om als professor in de theologie op te treden. Hier bleef hij tot 1552, toen Ignatius alle Jezuieten van Ingolstadt naar Weenen riep.
Tijdens zijn verblijf aldaar ontplooide hij een groote werkzaamheid, en gaf in 1553 uit zijn beroemden Catechismus (Summa doctrinae Christianae), welk werk, waarin de schrijver blijk geeft, dat hij een bekwaam practisch catecheet was, van bijzonder grooten invloed is geweest, waarvan de in 130 jaren verschenen 400 uitgaven getuigenis afleggen. Hiermede begon Canisius zijn levenswerk, de nederwerping van het Protestantisme en de herleving van het Roomsch-Catholicisme.
Onvermoeid herinnerde hij vorsten en bisschoppen aan hun kerkelijke plicht, bracht de tegenreformatorische actie naar Polen (1558), en installeerde de Jezuieten in Augsburg, München en Innsbruck. Hij nam deel aan de laatste zittingen van het Trentsche concilie, waar hij o. a. een pleidooi hield ten gunste van de hervorming van de tucht over de geestelijkheid, wat hem het beste middel voor het herstel der kerk toescheen.
De laatste dagen van zijn leven bracht hij door te Fribourg, waar hij een Jezuïetencollege stichtte, zich verder bezig hield met het schrijven van stichtelijke lectuur, en waar hij 21 December 1597, nog frisch naar lichaam en geest, stierf. In 1864 is hij zalig gesproken.
Naar hem is genoemd de Roomsch-Catholieke Canisiusvereeniging, die bedoelt de jeugd te bewaren voor het gevaar van de Protestantsche, speciaal van de zoogenaamde neutrale en ongeloovige scholen.