kotsen betekenis & definitie

praten; bekennen, opbiechten

In deze betekenis omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Verwoert gaf als voorbeeldzin: ‘Hij heeft gekotst tegen den sienemer’ (‘hij heeft aan de dienaar bekend’). Ook aangetroffen als katsen. Braken werd in het Bargoens eveneens in de betekenis ‘bekennen’ gebruikt, en verkotsen voor ‘verraden’.

• Gaf Jaantje haar een tip: ‘Je mot niet zoveel kotsen, waar snoggels [kleine kinderen] bij zijn; want kleine potjes hebben ook oren.’ ¶ G.P. Smis, Het nieuwe spionnetje (1955), p. 98. De schrijver verklaart de betekenis in een woordenlijst.