ziekenhuis betekenis & definitie

Een gebouw waar dag en nacht zieke mensen worden behandeld door dokters (specialisten),

verpleegkundigen en andere mensen die hen helpen.

Een ziekenhuis heeft verschillende afdelingen. Altijd zijn er een of meer verpleegafdelingen. Er is een operatieafdeling (ok-afdeling), een revalidatieafdeling, een polikliniek, een diagnostisch centrum waar allerlei foto’s kunnen worden gemaakt, een laboratorium (voor onderzoek van bijvoorbeeld bloed, plas en weefsel) en een café- of restaurantruimte waar patiënten die mogen lopen naartoe kunnen om met bezoek wat te drinken. Vaak is er ook een afdeling Spoedeisende hulp (SEH-afdeling, ‘Eerste Hulp’) en een intensive care (ic-afdeling).

Een academisch ziekenhuis hoort bij een universiteit en is flink groter dan een ziekenhuis in een kleine of middelgrote stad. In zo’n groot ziekenhuis wordt niet alleen behandeld, maar doen dokters ook voor de universiteit onderzoek, bijvoorbeeld naar nieuwe behandelingen en nieuwe manieren om een diagnose te stellen.

In de naam van sommige ziekenhuizen komt ‘gasthuis’ voor. Dat is een oud woord voor ‘ziekenhuis’. Het woord ‘hospitaal’ komt niet zoveel voor. Tegenwoordig noemt een ziekenhuis zich soms ‘medisch centrum’. Het woord ‘hospitaal’ kom je meer in België tegen. Het Griekse woord voor ‘bed’ is klinè. Daar komt het synoniem ‘kliniek’ vandaag: zeg maar ‘beddenhuis’. Een kliniek is meestal wat kleiner dan een gewoon ziekenhuis en de dokters zijn er soms gespecialiseerd in maar een bepaalde onderzoeken en behandelingen. Denk aan bijvoorbeeld een oogkliniek, waar alleen maar mensen met oogproblemen worden behandeld.

Ook medisch centrum, kliniek, hospitaal (vooral in België).