Nobelprijs betekenis & definitie

De belangrijkste prijs ter wereld, die elk jaar wordt gegeven aan wetenschappelijke onderzoekers die iets slims hebben ontdekt.

In Oslo (Noorwegen) delen ze deze prijs elk jaar op zes gebieden uit: natuurkunde, scheikunde, geneeskunde, economie, literatuur, vrede. Alfred Nobel (met de klemtoon op de e) was directeur van een grote Zweedse dynamietfabriek. In 1895 schreef hij in zijn testament dat zijn vele geld na zijn dood aan deze prijs moest worden besteed. Die Zweedse kronen werden toen verstandig op de bank (niet Klippan van Ikea) gezet, brengt sindsdien flink veel rente op en raakt dus niet op.

Ook Nederlanders hebben deze belangrijke prijs voor geneeskunde en biologie gekregen, zoals Willem Einthoven (met een ‘t’) in 1924 voor zijn uitvinding van het hartfilmpje (ecg, elektrocardiogram), Christiaan Eijkman in 1929 voor zijn ontdekking van het belang van vitamine B1 en Nico Tinbergen in 1973, samen met twee Duitse onderzoekers, voor belangrijk onderzoek naar diergedrag. Nico had nota bene een broer, Jan, die óók een Nobelprijs kreeg: voor economie!.