Wat is de betekenis van Winnen?

2019
2022-01-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

winnen

winnen - Werkwoord 1. (ov) als beste partij uit een wedstrijd komen Hij won het schoolkampioenschap hardlopen. 2. (ov) iets verkrijgen voor een goede prestatie bij een wedstrijd Hij won de bronzen medaille bij de Olympische Spelen. 3. (ov) een...

Lees verder
2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

winnen

winnen - onregelmatig werkwoord uitspraak: win-nen 1. de beste zijn, de meeste punten halen ♢ Ajax heeft deze wedstrijd gewonnen 1. hij wint aan invloed [krijgt meer invloed] ...

Lees verder
2017
2022-01-24
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Winnen

Winnen - 'winnen op één been': zonder veel moeite. Ontleend aan het Fr. gagner d'une jambe. 'Winnen met de vingers in de neusgaten': zie neus. 'Winnen op een diefje': van een opening in het peloton profiteren en de zege naar zich toetrekken. Ontleend aan het Fr. partir comme des voleurs. 'Winnen op stap': zonder moeite. Eng. to win hands down.

2015
2022-01-24
Hans van Breukelen

Bestuurder, adviseur en ex-profvoetballer

Winnen

Winnen is wanneer een persoon het maximale uit zichzelf haalt waar hij veel plezier aan beleeft en dit met anderen weet te delen. Winnen is tevens de titel van een boek, geschreven door Hans van Breukelen. Volgens deze definitie is winnen een keuze. Er wordt niet gesproken over verliezers of verliezen. In het boek ‘Winnen’ (2011) schrijft oud-keepe...

Lees verder
2009
2022-01-24
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

winnen

(ov ww; won; h. gewonnen) - uit een wedstrijd als overwinnaar tevoorschijn komen, de inzet van een wedstrijd voor zich verkrijgen. • Winnen door onthechting klinkt als een vreemd concept, veel mensen kunnen zich er niets bij voorstellen. Ze stellen onthechting op één lijn met onverschilligheid of passiviteit. Toch moetje je onthechten van winnen om...

Lees verder
2009
2022-01-24
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

winnen

(ov ww; won; h. gewonnen) SP - uit een wedstrijd als overwinnaar tevoorschijn komen, de inzet van een wedstrijd voor zich verkrijgen: een wedstrijd, koers winnen; met, op één been winnen, met twee vingers in de neus winnen, gemakkelijk winnen; winnen met één lengte verschil, met de lengte van een fiets; met een straatlengte voorsprong winnen, met g...

Lees verder
1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

winnen

(won, heeft gewonnen), 1. door inspanning en arbeid verkrijgen; m.n. gezegd van wat in de natuur voorhanden is: ertsen —; suiker uit beetwortelen, zout uit zeewater —; de bijen — honing; land —, nieuw land door bedijking verkrijgen; 2. (meer algemeen) verkrijgen, verdienen: de kost, geld, goed —; (spr.) zo gewonnen,...

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Winnen

v., winne, w o u n, w o u n; met spinnen —, bispinne; het best van iem. kunnen —, immen wol hawwe kinne; een poging doen om iem. voor zich te —, op immen sette, in set op immen dwaen; dat is de manier om de zaak te —, dat is jou winder; de aanhouder wint, op ’e ein fan &rsquo...

Lees verder
1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Winnen

(won, heeft gewennen), 1. vergeleken bij iets of iem. vorderen ; door sneller te gaan inhalen of verder vóór komen: in de derde ronde had de renner tien meter op zijn voorganger gewonnen; een voorsprong winnen; — (zeew.) op een ander schip winnen, het varende meer en meer naderen ; — in de wind winn...

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

winnen

won, h. gewonnen (verkrijgen; iets bekomen; verdienen, voordeel behalen, door koop, verkoop, wedden, spelen enz.): zijn brood winnen, verdienen; een prijs winnen, behalen; een veldslag winnen; de bijen winnen honig, verzamelen; de weddingschap, 2 gld. winnen; iem. voor zich, de goede zaak (weten te) winnen, tot zijn partij enz. overhalen; het (glan...

Lees verder
1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

WINNEN

WINNEN, (won, heeft gewonnen), voordeel behalen (b.v. door koop en verkoop, in het spel, door wedden enz.) : aan (of op) die koffie wint hij ƒ 1000; de winnende hand is mild, wien het welgaat is doorgaans ook weldadig; die waagt die wint, alleen hem, die iets onderneemt, kan iets gelukken; — bij het kaarten winnen; wie heeft het spel gew...

Lees verder
1898
2022-01-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Winnen

zie Bekoren.