Winnen
(won, heeft gewennen), 1. vergeleken bij iets of iem. vorderen ; door sneller te gaan inhalen of verder vóór komen: in de derde ronde had de renner tien meter op zijn voorganger gewonnen; een voorsprong winnen; — (zeew.) op een ander schip winnen, het varende meer en meer naderen ; — in de wind winn...