2020-04-06

voorleggen

voorleggen - regelmatig werkwoord uitspraak: voor-leg-gen 1. voor iemand neerleggen ♢ de notaris legde het testament voor om te tekenen 2. je plannen uiteenzetten ♢ ik wil dit idee graag even aan je voorleggen Regelmatig werkwoord: voor-leg-gen ik leg voor (... ik voorleg) ...

2020-04-06

VOORLEGGEN

VOORLEGGEN - (legde, leide voor, heeft voorgelegd, -geleid), voor iets leggen : leg er een steen voor (voor het rad); hij legt hem er voor, hij kust op den mond; — voor (een ander) nederleggen, vertoonen : de koopman legde ons verschillende stoffen voor; — iem. zijne plannen voorleggen, uiteenzetten ; aan iemands oordeel onderwerpen : iem. eene vraag voorleggen. VOORLEGGING, v. het voorleggen.

2020-04-06

voorleggen

('vo:r) (legde voor, heeft voorgelegd) 1. onder iemands oog brengen : de minister een stuk -. 2. uiteenzetten : iemand zijn plannen -. 3. aan iemands oordeel onderwerpen : iemand een vraag -.