Wat is de betekenis van terloops?

2024-07-14
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-07-14
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

terloops

terloops - Bijvoeglijk naamwoord 1. zijdelings, een bijzaak zijnde: Die terloopse opmerking was toch best belangrijk. terloops - Bijwoord 1. onopvallend tussen andere dingen, alsof het er niet toe doet: dit feit wordt terloops vermeld Woordherkomst samenstelling van ter en loop(werkwoord) met het...

2024-07-14
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

terloops

terloops - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ter-loops 1. wat je onopvallend tussen andere dingen door doet ♢ terloops zei hij dat hij ontslag zou nemen 1. een terloopse opmerking [snel tussendoor g...

2024-07-14
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Dr. E. Schröder (1980)

Terloops

Men kan het woord terloops het beste en in ieder geval het kortste weergeven door het Franse en passant en het is heel goed mogelijk dat het onder invloed van deze Franse uitdrukking bij ons in gebruik is gekomen. Dat is dan in het begin van de zeventiende eeuw gebeurd. In letterlijke betekenis had men toen ter loope: op een draf en ook ter loop, w...

2024-07-14
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

terloops

in die verbygaan.

2024-07-14
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Terloops

adv., yn, út ’e flecht wei, yn ’e gong wei, yn ’t foarbygean.

2024-07-14
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-07-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Terloops

I. bw., 1. in de gauwigheid, inderhaast, tussen andere bezigheden door : nauwelijks vond ik nog de gelegenheid om met haar terloops een woordje te wisselen; 2. in ’t voorbijgaan, als bijzaak: hij had haar terloops gegroet; terloops iets nakijken, opmerken; ernstige zaken mag men niet terloops afdoen; II. bn., vluchtig, o...

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-07-14
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

terloops

bw., bn. (eig. in de loop, in ‘t voorbijgaan, vluchtig): terloops gezegd; een terloops onderhoud.