Wat is de betekenis van teller?

2019
2021-10-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

teller

teller - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) het getal boven de streep van een breuk 2. (techniek) een apparaat om aantallen te tellen; meter [2] Woordherkomst Afgeleid van tellen met het achtervoegsel -er. Dit is een leenvertaling van de Latijnse benaming numerator. Antoniemen noemer

Lees verder
2018
2021-10-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

teller

teller - zelfstandig naamwoord uitspraak: tel-ler 1. iemand die telt of iets dat telt ♢ bij de ingang telde een teller het aantal bezoekers 2. getal boven de deelstreep van een breuk dat het aantal delen aangeeft ...

Lees verder
2017
2021-10-25
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

teller

De teller is het getal boven de deelstreep in een breuk.

2003
2021-10-25
Lexicon Energiemarkt

Jean-Paul Pinon

Teller

Een toestel dat energieverbruik kan meten. De weergave gebeurt op één of meerdere telwerken die mechanisch of elektronisch kunnen zijn. Tellers met meerdere telwerken worden gebruikt voor het afzonderlijk meten van verbruik gedurende verschillende tijdsperioden (bijvoorbeeld dag, nacht, piekuren, winter, zomer, tussenseizoen). met het...

Lees verder
1981
2021-10-25
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

teller

in de wiskunde: bij een breuk het getal dat boven de breukstreep staat; het geeft dus aan hoeveel delen van het geheel genomen moeten worden, b.v. ⅚; 5 is de teller, geeft dus aan dat er 5 zesde delen genomen moeten worden. Tegenstelling: noemer (hier 6).

Lees verder
1973
2021-10-25
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

teller

m. (-s), 1. iemand die telt; 2. boekhoudmachine, toestel om bepaalde aantallen te tellen of aan te tekenen; 3. (rekenkunde) het getal boven de breukstreep.

Lees verder
1950
2021-10-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Teller

I. TELLER m. (-s), 1. iem. die telt, inz. iem. wiens taak of beroep het is zekere personen of zaken te tellen : de tellers stonden weliswaar voor een zware taak, doch de telling van het vee is uitstekend geslaagd; 2. toestel ingericht om zekere aantallen te tellen of aan te tekenen : een teller die het aantal omwentelingen optekent...

Lees verder
1949
2021-10-25
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

teller

bord.

1939
2021-10-25
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Teller

→ Noemer.

1933
2021-10-25
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Teller

→ Breuk.

1933
2021-10-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Teller

➝ Noemer.

1916
2021-10-25
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Teller

Teller - (telef.), zie GESPREKKENTELLER.

1910
2021-10-25
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Teller

Teller - het getal, dat bij een gewone breuk boven de scheidingsstreep geplaatst is en dat aangeeft hoeveel deelen der eenheid, die de noemer aangeeft, bedoeld worden. Zie ook: Noemer.

1898
2021-10-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Teller

Teller - m. (-s), die telt, rekenaar; — (rekenk.) dat getal eener gewone breuk, dat aangeeft hoeveel gelijke deelen der gebroken eenheid genomen zijn. TELSTER, v. (-s), zij die telt.

Lees verder