STIPT
bn. bw. (-er, -st), 1. nauwgezet, precies: hij is stipt in alles; het is een stipt mens; — bw.: iets stipt uitvoeren; een bevel stipt nakomen; — zonder enige afwijking: stipt op tijd; 2. nadrukkelijk, uitdrukkelijk: een stipt bevel; hij stond er stipt op dat het vonnis zou worden uitg...