2020-01-27

snotneus

snotneus - zelfstandig naamwoord uitspraak: snot-neus 1. neus waar snot uit loopt ♢ pak je zakdoek en veeg je snotneus af! 2. wie nog niet voor vol wordt aangezien ♢ die snotneus kan daar niet over meepraten Zelfstandig naamwoord: snot-neus de snotneus de snotneuze...

2020-01-27

snotneus

snotneus - Zelfstandignaamwoord 1. jonge onverlaat, iemamd die nog niet meetelt Ik laat mij door die snotneus de les niet lezen. Woordherkomst samenstelling van snot en neus : iemand die zijn neus nog niet weet te snuiten Synoniemen snotaap

2020-01-02

snotjongen, snotkoker, snotneus, snotpegel

kwajongen die zich in gesprekken met volwassenen mengt of zich heel wat aanmatigt, bengel, snotaap. Wel heb je van jen leven! Mag ik mijn eigen kinderen niet slaan als ik verkies en zal zoo’n snotjongen mij dat beletten? (Jacob van Lennep, De pleegzoon, 1833) Sulleke snotkokers! Sulleke lamstrale! (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1898) Snotneus, bemoei jij je er niet mee! (Theo Thijssen, Kees de jongen, 1923)

2018-12-06

SNOTTERIK

SNOTTERIK - m. (-en), snotneus.

2020-01-02

Potsmenobbel

(in Joodse kringen) snotneus; domme nietsnut. Jiddisch. Pots is neusvuil.En dan te denken dat jij het liever houdt met zo een potsmenobbel als Eli Lipski... (Siegfried E. van Praag, Het huisaltaar, 1978)

2018-12-06

VUILNEUS

VUILNEUS - m. en v. (...zen), snotneus.

2019-05-30

blaag

blaag - v./m. (blagen), stout, lastig kind; snotneus, kwajongen; halfwas (ook meisje).

2020-01-02

snotdolf

kwajongen, bengel, snotneus. Van Dale geeft de varianten snotolf en snotdolver. Huizinga geeft enkel snotolf. Een snotdolf is ook een vraatzuchtige roofvis die vooral in de Oosterschelde voorkomt.Hoera voor die burgers! Moest zo’n snotdolf z’n kakkie maar ophouden! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928) Wat verbeel je je wel, snotdolf? (Willem van Iependaal, Polletje Piekhaar, 1935)

2018-09-01

Blaag

BLAAG, m. en v. (blagen), (gew.) kind; stout, lastig kind; snotneus, kwajongen.

2017-05-30

blaag

jong iemand die zich gezien zijn leeftijd of zijn positie brutaler gedraagt dan wordt verwacht; deugniet; kwajongen; snotneus

2020-01-02

briebel

(jeugdtaal) klein ventje; snotneus. Van een dialectwoord voor ‘lange druppel snot’? Vgl. het Franse scheldwoord microbe. Niet in Van Dale en het WNT, wel vermeld door Laps en Hofkamp & Westerman.

2017-06-16

Piepelen

Piepelen - (oorspr. Amsterdams, van piepeltje ‘broekenmannetje, snotneus’), slang voor ‘kleineren, pesten; voor de gek houden; als een kleine jongen behandelen’. Vooral in de sport. Zich gepiepeld voelen is ‘zich bedrogen voelen’. Ik zat na Milaan-San Remo toch al in de lift en Raas wilde niet dat ik nog meer publiciteit zou krijgen. Die wilde mij klein houden, een beetje piepelen. Profrenner Teun van Vliet in Vrij Nederland, 05-05-88 Misschien kijkt hij naar z’n ervaren collega...

2018-12-02

Tuithoed

Tuithoed - m. (-en), hoed met eene vooruitstekende punt; ...HOORN, m. (-s), zeker blaasspeeltuig, toethoorn; ...KAN, v. (-nen), kan met eene tuit; ...LAMP, v. (-en), ouderwetsche olielamp, snotneus; ...POT, m. (-ten); ...SCHOEN, m. (_en), tootschoen, spits toeloopende schoen.

2018-11-29

Rotkoorts

Rotkoorts - v. (-en), koorts ontstaan uit eene scherpte, welke van verrotte spijzen en dranken in de eerste wegen komt en in het bloed overgegaan is ; ...KUIL, m. (-en), kuil waarin men vlas root; ...KUIP, v. (-en), (pap.) kuip waarin men lompen en andere stoffen laat rotten ; ...LUCHT, v. stank van rottende zelfstandigheden ; ...MEESTER, m. (-s), korporaal; (gew.) buurtmeester, wijkmeester ; ...NEUS, m. (...zen), iem. wiens neus rot geworden is ; snotneus ; paard met den droes behept.

2017-06-16

Punk

Punk - (Eng.), provocerende rockmuziek, ontstaan in 1976, waarbij een opvallend uiterlijk (veiligheidsspelden, hanenkammen, piercings) een belangrijke rol speelde. Het no future-idee van de werkloze Britse jeugd lag aan de basis van het fenomeen. De punkfilosofie stond haaks op de hippiefilosofie. In plaats van love and peace schreef Joe Strummer van de toenmalige punkgroep The Clash hate and war op zijn jas. De punkmode uit de late jaren zeventig beleefde rond 1993 een comeback. Het woord punk...

2017-11-02

snotaap

snotaap - Zelfstandignaamwoord 1. (scheldwoord) (pejoratief) snotneus Woordherkomst samenstelling van snot en aap Synoniemen bengel, blaag, rekel, vlegel, snotneus, rakker Verwante begrippen straatbengel

2017-11-02

snotneusjes

snotneusjes - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord meervoud van het zelfstandig naamwoord snotneus

2017-11-02

snotneuzen

snotneuzen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord snotneus

2017-05-30

kwajongen

Het begrip kwajongen heeft 2 verschillende betekenissen: 1) jongen die streken uithaalt; ondeugende jongen; deugniet 2) jonge jongen; knaap; snotneus

2017-11-02

snotneusje

snotneusje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord snotneus