Wat is de betekenis van snaak?

2020
2022-10-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

snaak

grappig, ondeugend of apart figuur. mannelijke, meestal jonge persoon die grappig of ondeugend is of opvalt door zijn apart gedrag of zonderling voorkomen; grappige, ondeugende of aparte figuur. Voorbeelden: Het is ook een feit dat vooralsnog niemand in de Nete durft te gaan zwemmen. "Je krijgt er schurft van!" zeggen de mo...

Lees verder
2017
2022-10-06
Beursspeculanten

Jargon & Slang van Beursspeculanten

Snaak

Snaak - winst van een commissionair in effecten die meer rekent dan werkelijk verkocht is. Snaaien is dan ook meer in rekening brengen dan betaald is.

1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Snaak

s., snaek, gút, hâns, skevel, kwibus, biis(jager), biisfeint, bysfeint, fuotfeint, platsje (it); een rare —, in rare skommel, in mâl kynsen, in nuvere sneinsfeint, in frjemd soldaet, in rare kalktamakker, in nuvere hossel(t), hosselebos, hosselman, in brykswaeijer, nijljochter, gûlbert; vreemde snaken...

Lees verder
1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

SNAAK

m. (snaken), 1. spotzieke grappenmaker, kluchtig persoon : ’t is een echte snaak ; 2. ben. voor een persoon in ’t alg. met een bepaalde waarderingsnuance, kerel, knaap : een rare, een vreemde snaak.

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

snaak

m. snaken (grappenmaker, guit): een vreemde snaak, kerel, persoon.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

snaak

(sna:k) m. (snaken; -je) [snakken] 1. grappenmaker. Syn. → gast. 2. Algm. Spot. knaap, kerel, vent: een rare, vreemde -.

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

SNAAK

SNAAK - m. (snaken), kluchtige persoon: ’t is een echte snaak; knul, man, kerel, knaap : een rare, een vreemde snaak. SNAAKJE, o. (-s).

1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Snaak

zie Gast.

1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Snaak

Snaak, m. (snaken), kluchtige persoon; knul. *-SCH, bn. en bijw. (-er, meest snaaksch), kluchtig, grappig, koddig. -HEID, v. (...eden), grappigheid, kluchtige manieren. *-HOOFD, o. misvormd beeldje; kabouter, dik ventje.

Lees verder