Wat is de betekenis van sassen?

2024-02-23
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

sassen

urineren; piesen; pissen. zijn urine lozen; urineren; plassen; in hetzelfde informele register: piesen; pissen. Voorbeelden: Het is waarachtig dringend. De waterloop van de vrouwen gaat het begeven. Ze hebben buikkrampen. Bliksemsnel gaan ze sassen. Daar is geen tegenhouden aan. Andreas Roels, Hete zeeprikkels, 1984 Buiten ne...

2024-02-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

sassen

1) (1950) (inf.) urineren; plassen. Eigenlijk: de sluisdeuren openzetten. Het kan een klanknabootsing zijn (van een sissend geluid). Een andere (minder plausibele) mogelijkheid is die van sjassen, afgeleid van Fr. chasser (verdrijven, uitbannen, uitstoten, hier van de urine). Een 'sassertje' is een ander woord voor een piemeltje (het mannelijk ges...

2024-02-23
Woordenboek van Eufemismen

Marc de Coster (2004)

sassen

Pissen (ooit zelf een eufemisme voor het plattere ‘zeiken’); urineren*. Het woord is afgeleid van ‘sas’: sluis. De oorspronkelijke betekenis van ‘sassen’ was spuien. Ik heb ook wel eens lazarus tegen de bar aan staan sassen. Haring Arie: Recht voor z’n raap. 1972 Enfin, ga ik wel ergens buiten sassen. Ben Borgart: Troost. Verhalen. 198...

2024-02-23
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

sassen

sassen - Sluizen bestaande uit een aan weerszijden door deuren afgesloten kolk of kamer, waardoor vaartuigen kunnen worden geschut, d.i. van het ene water in ander, dat een hogere of lagere stand heeft, kunnen worden overgebracht.

Wil je toegang tot alle 10 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-23
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Sassen

(Barg.) wateren,

2024-02-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Sassen

(saste, heeft gesast), 1. (Zuidn.) schutten, de sluisdeuren opendoen om te spuien; 2. (slang) wateren, zijn water lozen.

2024-02-23
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Sassen

Emmanuel M. J. A., (1911), Ned. staatsman. 1946-1948 lid 2e Kamer (voor de K.V.P.). Werd 1948 minister van Overzeese Gebiedsdelen in kabinet-Drees-Van Schaik. Voorstander van krachtig optreden in Indië; zette 2e politionele actie door, welke tot bezetting van geheel Java leidde. Toen meerderheid van het kabinet besloot inmenging van de Veiligh...

2024-02-23
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

sassen

('sassәn) (saste, is gesast) schutten.

2024-02-23
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Sassen

(saste, heeft gesast), (plat) urineren.

2024-02-23
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Sassen

Sassen - (saste, heeft gesast), de sluisdeuren opendoen om het hoog water, dat vóór het sas is, naar een lager water te laten afvloeien.