2019-06-19

reiger

Het begrip reiger heeft 4 verschillende betekenissen: 1) geheel witgevederde reiger waarvan de grootste soort een lichaamslengte heeft van ongeveer een meter, en meestal een gele snavel, en de kleinere soort een lichaamslengte van ongeveer 60 centimeter en een zwarte bek; grote zilverreiger, resp. kleine zilverreiger 2) Afrikaanse reiger met een blauwzwart vederpak en een lichaamsgrootte van ruim 40 tot ruim 60 centimeter 3) slanke vogel met een lange nek, een spitse snavel en lange poten, die b...

Lees verder
2019-06-19

Reiger

Reiger - afgaan als een reiger: zakken voor een examen. Zie ook afgaan.

2019-06-19

Reiger

afgaan/schijten als een zie afgaan.

Lees verder
2019-06-19

reiger

reiger - zelfstandig naamwoord uitspraak: rei-ger 1. grote grijze vogel met lange poten en lange snavel ♢ de reiger ving een vis en at hem op Zelfstandig naamwoord: rei-ger de reiger de reigers het reigertje

Lees verder
2019-06-19

Reiger

Reiger of Blauwe reiger, ook Aalreiger genaamd, Ardea cinerea. Lengte tot 96 c.M„ staart 14 c.M.; blauwachtig grijs, onderkant wit. Op den kop een kuif van lange veeren, Leeft overal in de oude wereld, behalve in het hooge N. Hier te lande zomergast van April tot September ; vele exemplaren blijven echter den winter over; nestelt in boschrijke streken (reigerbosschen). Een listige en valsche, doch bange vogel, die zich met allerlei levende dieren voedt ; is vaak nuttig als verdelger van ongedi...

Lees verder
2019-06-19

Reiger

Reiger - m. (-s), (nat. hist.) eene onderorde van moerasvogels met langen, sterken en harden snavel (ardeae); zij vliegen snel, doch onbehendig; een inlandsch geslacht dezer vogels, kleiner dan de ooievaars, waartoe vooral de blauwe, de purper de zilverreiger, de kwak en de roerdomp behooren, inz. de blauwe reiger (ardea cinerea), 1. M. groot; die op hoornen nestelt en onder het vliegen den kop tegen den borst drukt; — (spr. plat) hij schijt als een reiger, heeft eene dunne ontlasting en zeer...

Lees verder