Wat is de betekenis van pissen?

2026-01-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Pissen

(piste, heeft gepist), (plat) 1. zijn water lozen, urineren; — wateren, lozen: bloed pissen; — (spr.) ’t is verloren gefloten, als 't peerd niet pissen wil; — (volkst.) ’t is zo lekker, of een engeltje op je tong pist; (Zuidn.) ’t is alsof de engel Gabriël in uw mond pist, he...

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2025)

pissen

1) (1240) (ook: piesen) (inf.) urineren (zowel van mensen als van dieren). Een bekend volksgezegde: "Heb-je dorst? ga naar Hansworst. Die heeft een hondje dat piest in je mondje." Talrijke syn. in de volkstaal en het Bargoens: aftappen*; effe z'n bierpompje* afknijpen; een blaasje* maken; de bloemetjes* water geven; een boom* in brand steken; z'n b...