Wat is de betekenis van Paraplu?

2020
2021-03-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

paraplu

1) (1952) (luchtv.) parachute. Vanwege de gelijkenis. Synoniem: chute*. Vermeld in De Vliegende Hollander van 25/05/1970. Engelse piloten hebben het ook over hun 'umbrella'. • Het was een der piloten uit het neergeschoten vliegtuig. Zijn parachute lag een eind het weiland in en de koeien, in een kring er omheen, stonden er verbaasd aan te ruik...

Lees verder
2018
2021-03-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

paraplu

paraplu - zelfstandig naamwoord uitspraak: pa-ra-plu 1. rond scherm met steel ♢ hij stak zijn paraplu op toen het begon te regenen Zelfstandig naamwoord: pa-ra-plu de paraplu de paraplu'...

Lees verder
2017
2021-03-08
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Paraplu

Het boven de ommuring van een standerdmolen aangebrachte kegelvormige dak.

1998
2021-03-08
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Paraplu

aju - informele en grappig bedoelde afscheidsgroet. Aju(us)is een verbastering van Frans adieu.Het WNT citeert het Leidsch Jaarboek 1916 (1747), maar het rijm dateert van veel later (wellicht van vlak na de Tweede Wereldoorlog). Eveneens populair in andere talen, bijv. Engels see you later alligator(waarop het antwoord luidt just a while crocodile)...

Lees verder
1993
2021-03-08
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Paraplu

regenscherm; beschermend, overkoepelend geheel; koepelgevangenis (Barg.)

1973
2021-03-08
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

paraplu

[→Fr. parapluie], m. (-’s), 1. regenscherm; beschuttende macht: atoomparaplu; 2. koepeldak dat slechts op één grondpaal rust.

Lees verder
1950
2021-03-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Paraplu

(Fr.), v. (-’s), 1. regenscherm. 2. koepeldak dat slechts op één grondpaal rust. 3. (volkst.) koepelgevangenis: onder de paraplu zitten. PARAPLUUTJE o. (-s), kleine paraplu.

Lees verder
1949
2021-03-08
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

paraplu

koepelgevangenis (Haarlem, Arnhem, Breda).

1948
2021-03-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

paraplu

parapluie, (Fr.) regenscherm.