Wat is de betekenis van Paraplu?

2022
2023-02-08
vindpunt

Vindpunt.nl

paraplu

(zelfstandig naamwoord) [alg.] zie: geen Engels, maar uit Frans

Lees verder
2022
2023-02-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

paraplu

1) (1952) (luchtv.) parachute. Vanwege de gelijkenis. Synoniem: chute*. Vermeld in De Vliegende Hollander van 25/05/1970. Engelse piloten hebben het ook over hun 'umbrella'. • Het was een der piloten uit het neergeschoten vliegtuig. Zijn parachute lag een eind het weiland in en de koeien, in een kring er omheen, stonden er verbaasd aan te ruik...

Lees verder
2018
2023-02-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

paraplu

paraplu - zelfstandig naamwoord uitspraak: pa-ra-plu 1. rond scherm met steel ♢ hij stak zijn paraplu op toen het begon te regenen Zelfstandig naamwoord: pa-ra-plu de paraplu de paraplu'...

Lees verder
2017
2023-02-08
B.D. Poppen

Schrijver op Ensie

Paraplu

Het boven de ommuring van een standerdmolen aangebrachte kegelvormige dak.

1998
2023-02-08
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Paraplu

aju - informele en grappig bedoelde afscheidsgroet. Aju(us)is een verbastering van Frans adieu.Het WNT citeert het Leidsch Jaarboek 1916 (1747), maar het rijm dateert van veel later (wellicht van vlak na de Tweede Wereldoorlog). Eveneens populair in andere talen, bijv. Engels see you later alligator(waarop het antwoord luidt just a while crocodile)...

Lees verder
1993
2023-02-08
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Paraplu

regenscherm; beschermend, overkoepelend geheel; koepelgevangenis (Barg.)

1973
2023-02-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

paraplu

[Fr. parapluie], m. (-’s), 1. regenscherm; beschuttende macht: atoomparaplu; 2. koepeldak dat slechts op één grondpaal rust.

Lees verder
1955
2023-02-08
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Paraplu

(Barg.) gevangenis met een koepeldak.

1952
2023-02-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Paraplu

s., paraplu, reinskerm (it).

1950
2023-02-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Paraplu

(Fr.), v. (-’s), 1. regenscherm. 2. koepeldak dat slechts op één grondpaal rust. 3. (volkst.) koepelgevangenis: onder de paraplu zitten. PARAPLUUTJE o. (-s), kleine paraplu.

Lees verder
1949
2023-02-08
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

paraplu

koepelgevangenis (Haarlem, Arnhem, Breda).

1948
2023-02-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

paraplu

parapluie, (Fr.) regenscherm.

1937
2023-02-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

paraplu

v. parapluus, parapluutje, Fr. parapluie, v. paraplus (Fr. [Gr. para = tegen + Fr. pluie = regen]: 1 regenscherm; 2 Barg. koepelgevangenis te Haarlem, Arnhem en Breda); 1. een groene paraplu; zijn paraplu opsteken, neerdoen, oprollen; 2. in (of: onder) de paraplu zetten.

Lees verder
1930
2023-02-08
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

paraplu

(para'plu) m. (-’s; ...pluutje) [Fr. < Gr. para, tegen + pluie, regen] l. Eig. regenscherm : zijn opendoen, opsteken, neerdoen, oprollen, toedoen; de knop, kruk van een -; mijn is omgewaaid; die wordt groen; naald-; zijn toedoen, doodgaan, sterven. 2. Metf. Volkst. koepelgevangenis : de te Arnhem, te Breda, te Haarlem; iemand in, ond...

Lees verder
1908
2023-02-08
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Paraplu

regenscherm.