Wat is de betekenis van Ontdoen?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ontdoen

ontdoen - Werkwoord 1. (ov) een aanhangsel of eigendom verwijderen van iets De artisjokken werden eerst ontdaan van hun hooi. Woordherkomst Afgeleid van doen met het voorvoegsel ont-.

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ontdoen

ontdoen - onregelmatig werkwoord uitspraak: ont-doen 1. er vrij van maken ♢ ik ontdoe het boek van zijn omslag 2. ervoor zorgen dat je hem of het kwijtraakt ♢ we moesten ons van die gebouwen ont...

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ontdoen

(ontdeed, heeft ontdaan), 1. vrijmaken, bevrijden, ontlasten (van): iemand of iets van iets ontdoen; zich van iets ontdoen, het uittrekken, afzetten enz.: ontdoe u van hoed en jas; 2. van de hand doen, verkopen, opruimen: effecten waarvan anderen gedwongen waren zich te ontdoen; uit de weg ruimen, laten verdwijnen: de hertog ontdeed zich van de la...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ontdoen

v., ûntdwaen; zich van iem. —, immen ôfskypje, ôftankje; zich van iem. willen —, immen slite wolle.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ontdoen

(ontdeed, heeft ontdaan), 1. vrijmaken, bevrijden, ontlasten (van): iem. of iets van iets ontdoen;

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ontdoen

ontdeed, h. ontdaan (ontlasten; iets afnemen): refl. zich van iets ontdoen, d. i. zich bevrijden; zich van zijn klederen ontdoen, ze uittrekken enz.; ontdoe u van uw hoed, afzetten.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ontdoen

(on'doen) (ontdeed, ontdeden; heeft ontdaan) I. ontlasten : een dier van zijn juk -. II. zich- 1.afzetten, uittrekken : ontdoe u van hoed en jas. 2. van de hand doen, verkopen : zich van effekten -. 3.zich losmaken : zich van vooroordelen -.

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ontdoen

(ontdeed, heeft ontdaan); iem. of iets van iets ontdoen, hem er van ontlasten, het hem afnemen: allen ontdeden hun buffels van de ploeg jukken; — zich van iets ontdoen, het uittrekken, afzetten enz.; ontdoe u van hoed en jas; (ook) het van de hand doen, verkopen, opruimen: effecten waarvan anderen gedwongen waren zich te ontdoen; (ook) zich l...

Lees verder