Wat is de betekenis van Onguur?

2019
2021-01-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

onguur

onguur - Bijvoeglijk naamwoord 1. louche 2. verdacht Hij is een onguur type. Woordherkomst Afgeleid van guur met het voorvoegsel on-

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

onguur

bn., 1. akelig, schrikwekkend; 2. onaantrekkelijk, ruw, gemeen: volk.

Lees verder
1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Onguur

bn., 1. akelig, schrikwekkend: de ongure kop van Jormungandr. 2. onaantrekkelijk, ruw, gemeen: ongure straattaal; onguur volk. 3. (van het weer enz., thans w. g.) ruw, bar: de stormen van d’ongure winterdag.

Lees verder
1921
2021-01-15
Levende taal

T. Pluim - 1921

Onguur

heeft met ons guur niets te maken; het staat voor ’t Middelned. ongehuur, ongehier, waarin gehuur of gehier (verg. duur en dier): liefelijk, aangenaam beteekent.

1919
2021-01-15
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Onguur

ook ongier, vroeger ongehuur en ongehier, akelig, afschrikwekkend, ongezellig enz.; met on afgeleid van het in het mnl. voorkomende gehure, gehiere = liefelijk ; in ’t hgd. nog in Ungeheuer = monster, gedrocht. Cats 2, 435 a: „Onguur en ysselyk schreeuwen”; 2, 541 a: „Onguur . . . gelijck de wilde dieren”; 2, 78a: &bdq...

Lees verder
1914
2021-01-15
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

onguur

onguur - onaangenaam, ruw (van het weder); stuursch.

1898
2021-01-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onguur

bn. akelig, schrikwekkend : de ongure kop van Jormungandur; onaantrekkelijk, ruw, gemeen : ongure straattaal!; — (van het weer enz.) guur: de stormen van d’ongure winterdag. ONGUURHEID, v. (...heden).

Lees verder