Wat is de betekenis van narigheid?

2020
2020-10-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

narigheid

narigheid - Zelfstandignaamwoord 1. ellende, verdriet, penarie, troosteloosheid, sores, malheur, pijn, rottigheid. Hij vertelt Job niet waarom hem de narigheid is overkomen. Woordherkomst afgeleid van narig met het achtervoegsel -heid Verwante begrippen armoe, ellende, misè...

Lees verder
1997
2020-10-30
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

narigheid

zie slingerschijt.

1994
2020-10-30
Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

narigheid

narigheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: na-rig-heid 1. akelige toestand ♢ ze hebben de laatste tijd veel narigheid meegemaakt Zelfstandig naamwoord: na-rig-heid de narigheid de nari...

Lees verder
1898
2020-10-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Narigheid

Narigheid v. (...heden), naarheid: men hoort tegenwoordig allerlei narigheid; een mensch heeft tegenwoordig niets dan narigheden.

Gerelateerde zoekopdrachten