Wat is de betekenis van narigheid?

2019
2022-07-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

narigheid

narigheid - Zelfstandignaamwoord 1. ellende, verdriet, penarie, troosteloosheid, sores, malheur, pijn, rottigheid. Hij vertelt Job niet waarom hem de narigheid is overkomen. Woordherkomst afgeleid van narig met het achtervoegsel -heid Verwante begrippen armoe, ellende, misè...

Lees verder
2018
2022-07-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

narigheid

narigheid - zelfstandig naamwoord uitspraak: na-rig-heid 1. akelige toestand ♢ ze hebben de laatste tijd veel narigheid meegemaakt Zelfstandig naamwoord: na-rig-heid de narigheid de nari...

Lees verder
1997
2022-07-04
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

narigheid

zie slingerschijt.

1973
2022-07-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

narigheid

v. (-heden), naarheid, misère: daar komt narigheid van; een mens hoort tegenwoordig niets dan narigheid; in de narigheid zitten.

1952
2022-07-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Narigheid

s., lêst (it), ûngemak (it), swierrichheit.

1950
2022-07-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Narigheid

v. (...heden), 1. naarheid, misère: een mens hoort tegenwoordig niets dan narigheid; in de narigheid zitten; 2. naar persoon.

Lees verder
1937
2022-07-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

narigheid

v. narigheden (naarheid inz. in toepassing op allerlei wederwaardigheden: treurigheid; ook: naar persoon): stuk na!

1898
2022-07-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Narigheid

Narigheid v. (...heden), naarheid: men hoort tegenwoordig allerlei narigheid; een mensch heeft tegenwoordig niets dan narigheden.