Wat is de betekenis van mak?

2020
2021-04-14
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

mak

(1913) (stud.) goedaardig. • Makke prof: goedaardig professor. Jac. van Ginneken: Handboek der Nederlandsche taal. Deel I. De sociologische structuur der Nederlandsche taal. 1913)

Lees verder
2019
2021-04-14
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mak

mak - Bijvoeglijk naamwoord 1. gedwee, tam, niet wild Het makke dier kon door iedereen met de hand meegevoerd worden. Verwante begrippen gedwee, tam, volgzaam

Lees verder
2018
2021-04-14
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mak

mak - bijvoeglijk naamwoord 1. gewend aan mensen ♢het konijn van Arend is mak 1. zo mak als een schaap/lammetje [erg mak] 2. er gaan veel makke (tamme) schapen in een hok...

Lees verder
2017
2021-04-14
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Mak

Familienaam die teruggaat op een roepnaam: een patroniem. Mak(ke) is een roepnaam die ontstaan is uit een Germaanse naam met het bestanddeel Mark-, zoals Markward of Markolf. Eventueel kan sprake zijn van een metroniem als de vrouwennaam Mak uit Machteld de oorsprong is.

Lees verder
1980
2021-04-14
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Mak

Zie M. H. Romyn.

Lees verder
1973
2021-04-14
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

mak

bn. en bw. (-ker, -st), 1. getemd, niet wild; gedwee, handelbaar: een — paard; een paard — maken; zo — als een schaap; (spr.) er gaan veel makke schappen in een hok, wanneer men wil inschikken, is er voor velen plaats; 2. (van personen) meegaand: ik zal hem wel — maken, wel klein krijgen; hij is nu zo — als een lammetj...

Lees verder
1969
2021-04-14
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Mak

Mak - zie M. H. Romyn.

1952
2021-04-14
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mak

adj., nuet, njût, mak; erg —, (van paard), koumak, laemmak; — in het verkeer (van paard), trammak.

1950
2021-04-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Mak

I. v. (-ken), (spinn.) bindsel lakengaren van 64 à 68 m : strengen van 24 makken. II. v. (-ken), (Zuidn.) herdersschop. III. bn. bw. (-ker, -st), 1. tam, niet wild ; gedwee, handelbaar: een mak paard; een paard mak maken ; — (spr.) er gaan veel makke schapen in een hok, wanneer men wil inschikken, is er voor velen plaats; — (f...

Lees verder
1898
2021-04-14
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mak

1. Mak v. (-ken), (spinn.) bindsel lakengaren van 64 à 66 M. strengen van 24 makken. 2. Mak bn. bw. (-ker, -st), tam, niet wild; gedwee, handelbaar: een mak paard; een paard mak maken; — (spr.) er gaan veel makke schapen in een hok, wanneer men wil inschikken, is er voor velen plaats; — (Z. A.) een makke Kaffer, die reeds eenig...

Lees verder
1898
2021-04-14
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Mak

zie Getemd.