Wat is de betekenis van laatdunkend?

2020
2021-06-24
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

laatdunkend

betekenis hooghartig, minachtend uitspraak [laat-dun-kuhnt] citaat "Je hoefde geen genie te zijn om te weten dat het dan dus geen fijne Kerst zou worden voor Bram Moszkowicz, tenzij natuurlijk Gordon ... Maar die was gisteren alweer met zichzelf bezig. De weldoener was weer eens woedend omdat er laatdunkend was geschreven over zijn goede daa...

Lees verder
2019
2021-06-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

laatdunkend

laatdunkend - Bijvoeglijk naamwoord 1. vanuit de hoogte, vanuit een hoge dunk van zichzelf, arrogant Zijn laatdunkende opmerkingen werden weinig op prijs gesteld. Woordherkomst samenstelling van laat(werkwoord) en dunkend

Lees verder
1980
2021-06-24
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Laatdunkend

Dit op ongewone wijze gevormde woord is een tegenwoordig deelwoord van een in het Middelnederlands voorkomend werkwoord: hem laten dunken: een hoge dunk van zichzelf hebben. Laat is dus een werkwoordsvorm en heeft met laat: niet vroeg, niets temaken. De juiste vorm zou dus zijn: latenddunken. Laatdunkend wil zeggen: verwaand, pedant, op anderen nee...

Lees verder
1973
2021-06-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

laatdunkend

bn. en bw., een hoge dunk van eigen voortreffelijkheid hebbend, met geringschatting neerziend op anderen; verwaand, pedant.

1952
2021-06-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Laatdunkend

adj. & adv., greatsk, ( eigen )wiis; — glimlachen, zien, fiis glimkje sjen.

1950
2021-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Laatdunkend

bn. bw., een hoge dunk van eigen voortreffelijkheid hebbende, in het besef zijner meerderheid een hooghartige, minachtende houding tegen zijn omgeving aannemend, met geringschatting neerziende op anderen; verwaand, pedant.

1937
2021-06-24
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Laatdunkend

Verwaand, aanmatigend, hoovaardig, opgeblazen, laag neerziend op anderen, die niet tot denzelfden kring behooren, een overdreven dunk hebbend van eigen voortreffelijkheid,ongepast trotsch op eigen aanzien. „Van het hondje van laatdunkendheid gebeten zijn.”

1921
2021-06-24
Levende taal

T. Pluim - 1921

Laatdunkend

is ontstaan uit de oude uitdrukking: „zich iets laten dunken,” d.i. zich iets inbeelden, iets wanen; vandaar bet. laatdunkend: verwaand, minachtend op anderen neerziende.

1919
2021-06-24
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Laatdunkend

van: zich laten dunken, zich inbeelden, eigenlijk op verkeerde manier gevormd (men zou verwachten : latend dunken, of dunkenlatend); hiervan laatdunkendheid, verwaandheid, aanmatiging; vroeger kwamen ook hiernaast voor: laatdunk, laatdunken (eig. de onb. wijs) en een b.nw. laatdunkig en latendunkig. Blijkbaar heeft men latendunken meestal als een g...

Lees verder
1898
2021-06-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Laatdunkend

bn. bw. een hoogen dunk van eigen voortreffelijkheid hebbende, in het besei zijner meerderheid eene hooghartige, minachtende houding tegen zijne omgeving aannemend, met geringschatting neerziende op anderen; verwaand, pedant. LAATDUNKENDHEID, v. verwaandheid, pedanterie.

1898
2021-06-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Laatdunkend

zie Eigenwijs, zie Hoogmoedig.