Wat is de betekenis van klerk?

2022
2022-10-06
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

klerk

(1967) (jeugd, scheldw.) iemand die eruitziet als een kantoorbediende. • Wanneer dit artikeltje u onder ogen komt, is het heel best mogelijk dat geen van de genoemde woorden nog wordt gebruikt door de werkullukke in-crowd, misschien nog wel door een paar klerken of vetkuiven. (Algemeen Handelsblad, 12/08/1967) • (Hans Heestermans in Onz...

Lees verder
2020
2022-10-06
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

klerk

Het begrip klerk heeft 2 verschillende betekenissen: 1) bediende op een kantoor. bediende die werkt op een kantoor, veelal belast met administratief werk; kantoorbediende; met schrijfwerk belaste lagere ambtenaar of ondergeschikte beambte in overheidsdienst. Is in Nederland verouderd in gebruik. 2) intellectueel. intellectueel...

Lees verder
2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

klerk

klerk - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die administratieve werkzaamheden verricht De klerk deed de boekhouding. Synoniemen kantoorbediende

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

klerk

klerk - zelfstandig naamwoord 1. iemand die op kantoor veel schrijfwerk moet doen ♢ hij heeft een baantje als klerk Zelfstandig naamwoord: klerk de klerk de klerken het klerkje...

Lees verder
2007
2022-10-06
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

klerk

iemand die eruitziet als een (saaie) kantoorbediende. Scheldwoord gebruikt in de jaren zestig. Vermeld door Hans Heestermans in Onze Taal, april 1987.

Lees verder
1994
2022-10-06
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Klerk

[VLat. clericus; zie klericaal] oorspr.: geestelijke-schrijver; later ook: leek in dienst van kerk met verschillende taken; bediende belast met schrijfwerk.

1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

klerk

m. (-en), administratieve kracht, correspondent, schrijver op een kantoor: — op een notariskantoor; in overheidsdienst als een bepaalde, lage rang (onmiddelijk boven schrijver): eerste —.

1963
2022-10-06
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

klerk

(de, -en), (ook, niet alg.:) winkelbediende, verkoper. De dief pakte snel het apparaat weg en liep daarmee de winkel uit. De klerk sloeg alarm bij een politieman die bij het ministerie van Leger en Politie op wacht stond (WS 7-9-1985). - Etym.: In AN (verouderend) alleen ‘bediende belast met schrijfwerk’. -Syn. winkelklerk. -: gezworen...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Klerk

s., klerk, skriuwer.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Klerk

m. (-en), 1. bediende belast met schrijfwerk, schrijver : klerk op een notariskantoor; — in overheidsdienst als een bepaalde, lage rang (onmiddellijk boven schrijver): klerk ter secretarie; eerste klerk; vrouwelijke klerken; 2. soort van zwarte, late kersen.

Lees verder
1949
2022-10-06
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Klerk

Jos de (1885), Vlaams componist van opera Baas Ganzendonk, liederen, cantates enz. Michel de (1884-1923), Ned. architect, bouwer van het Scheepvaarthuis Amsterdam; virtuoos gebruiker van velerlei materialen.

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

klerk

m. -en (kantoorklerk, schrijver op een kantoor); verg. rijksklerk.

1933
2022-10-06
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Klerk

1° Cornelis R. de, Ned. letterkundige. * 11 Nov. 1873 te Woubrugge. Studeerde te Hageveld, werd daarna opgeleid voor het onderwijs, doch wijdde zich zelfstandig aan de studie der Klassieke en moderne letteren. Werd kort na de oprichting redacteur van het maandblad Van Onzen Tijd, waarin hij zijn voorname beschouwingen, vooral over St. Augustinu...

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

klerk

m. (-en; -je) [Fr. < Lat. clericus, geestelijke, schrijver] kantoorbediende,-schrijver: bij de notaris, op een kantoor, ter sekretarie.

1921
2022-10-06
Levende taal

T. Pluim - 1921

Klerk

is oorspr. geestelijke, thans schrijver, daar vroeger de geestelijken de eenige „schrijvers” (beoefenaars der schrijfkunst) waren; de naam is in ’t Lat. clericus = tot den clerus behoorende, en clerus is de verzamelnaam voor de geestelijkheid, ontleend aan ’t Grieksche kleros = erfdeel (des Heeren). De stam van Levi —...

Lees verder
1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Klerk

oorspr. geestelijke, die vroeger tevens „schrijver” was. — Klerk zelf is afgeleid van ’t Lat. clericus, d. i. die tot den clerus behoort, en clerus was en is de verzamelnaam voor de geestelijkheid; dit clerus is het Gr. Kleros — erfdeel des Heeren, zie Deut. 18:2.

1910
2022-10-06
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Klerk

Klerk - kantoorschrijver. De naam is afgeleid van clericus (geestelijke), omdat vroeger de geestelijken zich veel bezig hielden met het afschrijven van boeken.

1908
2022-10-06
Zuiveraar

De kleine Zuiveraar

Klerk

(kantoor)schrijver.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Klerk

KLERK, m. (-en), kantoorbediende, schrijver: klerk op een notariskantoor; klerk ter secretarie.

1870
2022-10-06
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Klerk

Klerk (Reinier de), gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië, werd geboren te Middelburg in 1710, voer bij herhaling als matroos en vervolgens als stuurman naar Indië en werd in 1737 opperkoopman op de westkust van Sumatra. In 1741 te Batavia als secretaris bij het Hollandsche leger geplaatst, onderscheidde hij zich door beleid en moed, werd oppe...

Lees verder