Wat is de betekenis van kleingeestig?

2019
2022-05-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kleingeestig

kleingeestig - Bijvoeglijk naamwoord 1. iemand die niet verder kan en wil denken dan zijn neus lang is Deze hoogopgeleide politicus was kleingeestiger dan je zou mogen verwachten van iemand die zich ook nog liberaal noemt. Woordherkomst afleiding van klein en geest met het achterv...

Lees verder
1973
2022-05-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kleingeestig

bn. en bw. (-er, -st), niet ruim en breed denkend, bekrompen, benepen; blijk gevend van die gezindheid: een kleingeestige opmerking.

1952
2022-05-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kleingeestig

adj., lyts-, kliengeastich, neargeastich.

1950
2022-05-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kleingeestig

bn. bw. (-er, -st), niet ruim en breed denkend, bekrompen, benepen; blijk gevend van die gezindheid: kleingeestige vitterij, wrok, wraakneming, twist; — (praedicatief): hoe kleingeestig, om zich zo iets aan te trekken!

1937
2022-05-23
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kleingeestig

bn. (hechtend aan nietigheden; bekrompen; lichtgeraakt door kleinigheden).

1898
2022-05-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kleingeestig

KLEINGEESTIG, bn. bw. (-er, -st), kleindenkend, aan nietige dingen gehecht; eene kleingeestige staatkunde volgen; (ook) lichtgeraakt door kleinigheden hoe kleingeestig, om zich zoo iets aan te trekken KLEINGEESTIGHEID, v.