2019-12-05

kien

kien - Bijvoeglijk naamwoord 1. slim, pienter Hij is een kiene jongen die wel kan gaan studeren.

2019-12-05

Kien

KIEN, hij is kien, heeft de 5 nummers op eene rij van eene kienkaart vol; — (gew.) dat is kien, dat valt mee, is naar mijn zin.

2019-12-05

kien

(valse) sleutel; loper In 1858 voor het eerst opgetekend, in het levensverhaal dat ‘een ontslagen gevangene’ vertelde aan mr. C.J.N. Nieuwenhuis. Het komt hierin voor in de zin: ‘Ik maakte de kien en Marie zijn kalle stond op smieris’ (‘ik maakte de sleutel en Marie’s “bijzit” stond op de uitkijk’). In 1906 geeft Köster Henke in De Boeventaal als voorbeeldzinnen: ‘Steunt de kien in ’t slot?’ (‘zit de sleutel in ’t slot?’) en ‘Een mooi stel kienen’. Hij n...

2019-12-05

kien

hij drukt kien, hij zit vast, hij kan zich er niet meer uitredden.

2019-12-05

kien

kien - m., (argot), sleutel; ook: een soort spel, lottospel.