kien betekenis & definitie

(valse) sleutel; loper

In 1858 voor het eerst opgetekend, in het levensverhaal dat ‘een ontslagen gevangene’ vertelde aan mr. C.J.N. Nieuwenhuis. Het komt hierin voor in de zin: ‘Ik maakte de kien en Marie zijn kalle stond op smieris’ (‘ik maakte de sleutel en Marie’s “bijzit” stond op de uitkijk’). In 1906 geeft Köster Henke in De Boeventaal als voorbeeldzinnen: ‘Steunt de kien in ’t slot?’ (‘zit de sleutel in ’t slot?’) en ‘Een mooi stel kienen’. Hij nam in dit zakwoordenboekje, dat bestemd was voor de politie, ook een foto op met verschillende kienen. Daarop is te zien dat men indertijd een onderscheid maakte tussen onder meer kaskientjes, dopkienen en zogenoemde Hollanders.

• Van de weekbooten aan de kaai hebben ze heel wat zilver, horloges, portemonnaies uit de roeven gejat, die ze eerst kraakten of met kienen, valsche sleutels forceerden. ¶ M.J. Brusse, Het rosse leven en sterven van de Zandstraat (1917), p. 54
• Hij gooide alle kienen op hem aan; hij probeerde alle sleutels en gaatjes, maar hij kreeg noppes op het request. ¶ Is. Querido, Mooie Karel (1925), p. 180
• Er kon mogelijk alarm op het hek zitten dat de kit al had gewaarschuwd. Het bleef rustig. Ik stopte de radio in mijn binnenzak en deed een oorschelpmicrofoon in. Ook pakte ik nog wat kienen van de Esernie, gleed de tuin in en deed het hek achter mij op slot. ¶ Aage M., Mijn nachten met de thermische lans (1976), p. 82