Innig
bn. bw. (-er, -st), I. bn., 1. bestaand, werkend in iem.’s binnenste : innige hoop, spijt; 2. in de overtr. trap innigst, het meest binnenwaarts gelegen, en vand.: diepst, verborgenst, heimelijkst: het innigst merg (Staring) ; iem.’s innigste, gedachten-; zelfst.: het innigste van haar ziel; 3. diep...