Immers
voegw. bw., 1. ter aanduiding dat men het gezegde als juist of erkend beschouwt, toch: gij komt immers morgen? dat is immers niet waar? 2. ter verbinding van twee zinnen waarvan de tweede de bekende grond of de oorzaak inhoudt van hetgeen in de eerste beweerd wordt, namelijk, want: terecht stellen vele ouders prijs op goed onderwijs hunn...