Wat is de betekenis van immers?

2019
2020-11-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

immers

immers - Bijwoord 1. een logisch verband aangevend met iets dat eerder gezegd is, meestal in een vraag Nee, hij is al naar huis, hij werd immers gevraagd thuis te komen.

Lees verder
2018
2020-11-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

immers

immers - bijwoord uitspraak: im-mers 1. toch zeker ♢ ik heb het je immers beloofd! 2. er wordt een reden of argument genoemd ♢ zout is gezond, alle mensen hebben immers zout nodig Bij...

Lees verder
1973
2020-11-28
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

immers

voegw., bw., 1. ter aanduiding dat men het gezegde als juist of erkend beschouwt, toch: hij komt — morgen ?; dat is — niet waar?; 2. ter verbinding van twee zinnen waarvan de tweede de bekende grond of de oorzaak inhoudt van hetgeen in de eerste beweerd wordt; namelijk, want: terecht stellen vele ouders prijs op goed onderwijs voor hun...

Lees verder
1898
2020-11-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Immers

IMMERS, bw. toch : gij komt immers morgen ? dat is immers niet waar ? (voegw. bw. ter verbinding van twee zinnen, waarvan de tweede den bekenden grond of de oorzaak inhoudt van hetgeen in den eersten beweerd wordt), want: terecht stellen vele ouders prijs op het onderwijs hunner kinderen; immers door het onderwijs wordt het verstand der kinderen on...

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten