Wat is de betekenis van Heelegaar?

1898
2020-10-31
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Heelegaar

HEELEGAAR, bw. geheel en al: het is heelegaar stuk; ...GANSCH, bw. (gew.) heeiegaar; ...MAAL. bw. geheel en al: hij is heelemaal in de war.

Lees verder