Wat is de betekenis van handschoentje?

2022
2023-02-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster

handschoentje

(1906) (Ned.-Indië) een bij volmacht gehuwde vrouw. Zie ook: met de handschoen trouwen. • Wij (hebben) nog onze „handschoentjes” en onze „staarten". (Priick van Wely: Koloniaal Nederlandsch-Engelsch, Fransch, Duitsch aanvullend Hulpwoordenboek. Supplement op alle in Nederland verschenen Lexica. Batavia. 1906) • Een...

Lees verder
2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

handschoentje

handschoentje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord handschoen

Lees verder
1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Handschoentje

o. (-s), 1. kleine handschoen: 2. (Ind.) dame die met de handschoen getrouwd is; 3. (Zuidn.) handgift; fooitje.

Lees verder
1933
2023-02-07
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Handschoentje

benaming v/e bruid, die in Ned. m/d handschoen trouwt, d.w.z. bij speciale volmacht terwijl de bruidegom zich in N.O.-I. bevindt.

1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

handschoentje

o. (-s) 1. Eig. kleine handschoen. 2. Metn. met de handschoen getrouwde vrouw.

Lees verder