2019-12-14

gewagen

gewagen - regelmatig werkwoord uitspraak: ge-wa-gen 1. vertellen hoe het is ♢ de wereld zal ervan gewagen Regelmatig werkwoord: ge-wa-gen ik gewaag jij/u gewaagt hij/zij gewaagt wij/zij/jullie gewagen ik/jij/u/hij/zij gewaagde

2019-12-14

gewagen

gewagen - Werkwoord 1. (inerg) ~ van over iets praten, iets vermelden Waar hij ook van gewaagde, hierover heeft hij niets gezegd.

2019-12-14

Gewagen

GEWAGEN, (gewaagde, heeft gewaagd), (dicht.) met ophef van iets gewag maken, den lof er van verkondigen dan mag der barden zang der vorsten roem gewagen; — van iets gewagen, er gewag, melding van maken ik zal van de daaropvolgende gebeurtenissen niet gewagen; de geschiedenis gewaagt van zijn heldendaden; —veel ophef, groot gewag van iets maken de wereld zal er van gewagen, het zal overal groot opzien wekken.