Wat is de betekenis van geheid?

2020
2021-01-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

geheid

(1902) (inf.) stellig, vast, onmiskenbaar, duidelijk. • Heus Ajax, alles zit geheid. De Ziiidmolukkers loeren alleen op de gelegenheid, om Celtic te ontvoeren. (De tijd, 10/03/1971) • Drenthe geheid goed. (De Volkskrant, 07/08/1976) • Op zo'n rapport bleef je vroeger geheid zitten. (NRC Handelsblad, 10/12/1984) &...

Lees verder
2019
2021-01-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

geheid

geheid - Werkwoord 1. voltooid deelwoord van heien

Lees verder
1973
2021-01-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

geheid

bn. en bw., 1. zeer vast, onwrikbaar (bevestigd enz.): het zit er in, ook b.v. van leerstof gezegd; 2. (van personen) zijn stof geheel beheersend, geoefend: een spreker; 3. echt; door en door.

Lees verder