Wat is de betekenis van eng?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

eng

eng - Bijvoeglijk naamwoord 1. angst veroorzakend Dat was echt een eng monster! 2. met weinig tussenruimte De enge straat liep dood. eng - Zelfstandignaamwoord 1. het symbool en de letter ŋ en de bijbehorende klank Synoniemen...

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

eng

eng - bijvoeglijk naamwoord 1. wat je laat rillen van angst of afkeer ♢ ik vind het eng om door dat donkere bos te lopen Bijvoeglijk naamwoord: eng ... is enger dan ... het engst ...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Eng

I. bn. bw. (-er, -st), 1. gering van wijdte of ruimte: die jas is mij te eng; een enge poort; een enge pas, nauwe doorgang. 2. met weinig tussenruimte aaneensluitend, dicht op- of bijeen: in de enge familiekring; binnen enge grenzen; — bw.: eng sluitend, met weinig of geen speling; — eng behu...

Lees verder
1926
2021-01-19
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Eng

In de redenen, welke Jezus gehouden heeft, is er tweemaal sprake van de enge poort. In Luc. 13 : 24 staat: „Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.” Daar wordt volgens het verband de enge poort aan het einde voorgesteld (zie vs. 25), en wordt ermede bedoeld de poort...

Lees verder
1916
2021-01-19
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Eng

Eng - of enk, zie ESCH.

1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Eng

ENG, bn. bw. (-er, -st), te gering van wijdte of ruimte die jas is mij te eng; — eene enge poort, zeer nauw; — (oorl.) een enge pas, nauwe doorgang; — eng behuisd, zeer klein behuisd; — aaneengesloten: eng kantonnement; — in engeren zin, in meer beperkte beteekenis: — enge begrippen hebben, bekrom-pen begrip...

Lees verder