Wat is de betekenis van deken?

2024-02-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

deken

(1906) (Barg.) grasveld. • (Köster Henke: De boeventaal. 1906) • (J.G.M. Moormann: De geheimtalen: Bronnenboek. 1934) • (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

deken

deken - Zelfstandignaamwoord 1. een (vaak dikke) doek, met de functie om iemand te bedekken en daarmee warm te houden (tijdens de slaap) deken - Zelfstandignaamwoord 1. (advocatuur) voorzitter van de Nederlandse orde van advocaten     ♢ Een slecht functionerende advocaat kan door de d...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

deken

deken - zelfstandig naamwoord uitspraak: de-ken 1. hoofd van een bepaalde organisatie ♢ aan het hoofd van een faculteit op de universiteit staat een deken Zelfstandig naamwoord: de-ken de deken de dek...

2024-02-28
Vloeken lexicon

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg (1997)

deken

zie weggaan.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Woordenboek vreemde woorden

A. Kolsteren en Ewoud Sanders (1994)

Deken

[Lat. decanus = tienman, van decem = tien] hoofd van bep. groep (bijv.: van een faculteit, corps diplomatique); (rk) pastoor belast met toezicht op groep aangrenzende parochies.

2024-02-28
Lexicon Nederland en België

Liek Mulder (1994)

Deken

Deken, Willem de, Vlaams volksleider, *circa 1274 Brugge, +(terechtgesteld) 1328 Parijs. De Deken was schepen, raadslid en burgemeester van Brugge. Samen met → Zannekin leidde hij de → Kerels van Vlaanderen tegen → Lodewijk van Nevers die het Verdrag van → Athis-sur-Orge letterlijk wenste na te leven. De opstandelingen werden in Kassel verslagen do...

2024-02-28
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

deken

deken - Grote rechthoekige dekkleden van dik, zacht materiaal ter beschutting tegen koude.

2024-02-28
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

DEKEN

In r.k.kerk priester, die aan het hoofd staat van een dekenaat, een district van het bisdom; een indeling, die al bestaat vanaf de 9e eeuw; in Noord-Brabant vanaf de 10e eeuw. In 1853 kwam er een nieuwe indeling na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Ook: bestuursfunctie bij gilden en schutterijen in Noord-Brabant.

2024-02-28
Encyclopedie van Zeeland

Kon. Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (1982)

DEKEN

ook landdeken genoemd. Was in de middeleeuwse kerkelijke hiërarchie (paus-aartsbisschop-bisschop-aartsdiaken-deken-pastoor) de priester die aan het hoofd stond van het dekenaat, zijnde de vereniging van een aantal → parochies. Vooral sedert de 12e eeuw assisteerde de deken de → aartsdiaken, wiens rechterlijke macht hij bij delegatie...

2024-02-28
Encyclopedie voor Zelfstudie

drs. L.A. Beeloo (1981)

Deken

persoonsnaam: 1. in de Katholieke Kerk een priester die namens de bisschop moet toezien op een aantal parochies. Zijn machtsgebied heet dekenaat; 2. voorzitter van een faculteit (ook dekaan genoemd), van de orde van advocaten, van het Corps Diplomatique, enz.

2024-02-28
Watersport A-Z

Kramer en de Bruin (1971)

Deken

Deken - afdekking van de bun een soort dubbele bodem die o.a. bij de botter voorkomt. De op de deken staande inhouten worden dekenpoten genoemd.

2024-02-28
Kerkelijk woordenboek

Professor mag. dr. J.B. Kors o.p. (1967)

Deken

(deca’nus), titel van den bestuurder van een der districten (dekenaat), waarin een bisdom gewoonlijk verdeeld is en dat meerdere parochies omvat. Namens den bisschop oefent hij toezicht uit op de priesters en kerken in zijn ambtsgebied, waartoe hij ze op vastgestelde tijden visiteert. Minstens eens per jaar legt hij aan den bisschop ve...

2024-02-28
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

deken

bedsprei; geestelike.

2024-02-28
Encyclopedie van Friesland

Prof. Dr. J.H. Brouwer (1958)

DEKEN

(decanus), a. hoofd van een kapittel in geestelijke zaken; b. geestelijke, meestal een pastoor, in de M.E. belast met de installatie van pastoors, met visitatie en zeend in een dekenaat. In vele opzichten tussenpersoon tussen bisschop en geestelijkheid. In schrikkeljaren werd hij aangesteld door de bisschop (en heette dan provisor in zijn functie...

2024-02-28
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Deken

oudtijds: gildebestuurder; woordvoerder van corps diplomatique; voorzitter van Raad van Toezicht en Discipline van de orde van advocaten bij een rechtscollege; hoofd van een kapittel van kanunniken; geestelijke die toezicht houdt over enige parochies

2024-02-28
Katholicisme encyclopedie

Prof. dr. J.C. Groot (1955)

DEKEN

was oorspronkelijk de naam voor een aanvoerder van ro soldaten. In de regel van St. Benedictus worden diegenen deken genoemd, die zijn aangesteld over tien monniken. Tegenwoordig is het de naam voor een priester die aan het hoofd staat van een dekenaat, een kerkelijk district, dat verschillende parochies omvat. Hier moet hij namens de bisschop toe...

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Deken

s., tekken, wrine; gewatteerde — oerklaeide, trochstikke, trochstoppe tekken.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Deken

I. DEKEN v. (-s), rechthoekig kleed tot beschutting tegen de koude, inz. zoals op een bed gebruikt: wollen en katoenen dekens op een bed; reisdeken, paardedeken; onder de dekens kruipen, gaan, naar bed gaan; — (fig ) samen onder één deken liggen, het met elkander eens zijn (ten kwade); — een natte deken,...

2024-02-28
Boevenjargon

Professor Henry Roskam (1949)

deken

groene deken, het gras. Luimen op de groene deken, in ’t gras slapen.

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Deken

(Lat. decanus) (1), in de R.K. kerk de geestelijke die moet waken over de parochies die tot zijn dekenaat behoren; (2) voorzitter van de Raad van Toezicht en Discipline der Advocaten, gekozen door de leden der Orde van Advocaten; (3) hoofd van het Corps Diplomatique’; (4) weefsel waarop zich aan de oppervlakte een vacht van vezelmateriaal...